*

Pleidooi voor de homeopathie

bewaar
Door: redactie
16-4-99 - 00:00

ZIEK ZIJN is gezond. Ziekteverschijnselen duiden erop dat het lichaam bezig is verstoringen te verhelpen. Ze zijn noodzakelijk voor herstel en daarmee om gezond te blijven....

Beter is het de symptomen ongemoeid te laten en de behandeling te richten op versterking van het zelfgenezend vermogen van mensen. Beslissend hiervoor is het onstoffelijke, zeg maar iemands mentale, emotionele toestand. Op dat niveau ontstaan de verstoringen, dáár ook moet het nieuwe evenwicht worden bereikt.

Dit is, kort samengevat, de kijk op gezondheid, ziekte en genezing die de basis vormt van de klassieke homeopathie. Dit gedachtegoed, inclusief praktische consequenties, wordt helder uiteengezet in De zonen van Hippokrates - Gezondheid, ziekte, behandeling en genezing in de reguliere geneeskunde en in de klassieke homeopathie.

De auteur, Ronald M. van Vierzen, is ervaringsdeskundige. Aanvankelijk was hij chip-designer in een high-tech bedrijf. Daar kreeg hij klachten die de reguliere arts niet en de klassieke homeopaat wel kon verhelpen. Die ervaring bracht hem ertoe een studie naar de grondslagen, werkwijzen en effecten van beide richtingen te maken.

Het resultaat is een boek dat een karikatuur schetst van de reguliere geneeskunde en de klassieke homeopathie uitvoerig en met veel sympathie behandelt. Op zichzelf is dit dus een scheefgetrokken vergelijking, maar daar staat tegenover dat het boek in helderheid en toonzetting uitnodigt de beschouwingen op hun eigen merites te beoordelen. En dan blijkt het betoog op diverse plaatsen bepaald niet solide.

Zo is Van Vierzen niet overal consequent. Hij stelt bijvoorbeeld in het begin van het boek dat reguliere en alternatieve geneeskunde beide waardevol zijn en daarom naast elkaar moeten staan, maar in de rest van het boek put hij zich uit om aan te tonen hoezeer een reguliere behandeling ziekte eerder bevordert dan bestrijdt.

Ook heeft hij een groot ontzag voor de complexiteit van de mens. Maar dat weerhoudt hem er niet van ontstaan van ziekteverschijnselen en genezing in een schema te vatten, compleet met een hiërarchische indeling van verschijnselen, opklimmend in ernst. Alsof die processen volstrekt doorzichtig zijn. De wens lijkt hier de vader van de gedachte. Ook dit boek illustreert hoe moeilijk het is te leven met de gedachte dat we veel niet weten. Sterker nog, dat we het meest wezenlijke niet weten: waarom de een ziek wordt en de ander niet, en de een geneest en de ander niet.

Ook kent het boek nogal wat speculaties en eenzijdigheden, zelfs op hoofdpunten. Ziekte ontstaat per definitie op mentaal niveau, stelt Van Vierzen. Maar dat lijkt hij meer af te leiden uit de aanwezigheid van een immaterieel bestaansniveau dan uit een aantoonbaar ziekmakende, dan wel genezende relatie tussen geest en lichaam. De eenzijdigheid op dit punt is dat hij het traject in omgekeerde richting - hebben processen in het lichaam misschien invloed op de mentale huishouding? - onbesproken laat.

En er is meer. Om zijn inzichten omtrent de beslissende invloed van de geest kracht bij te zetten, verwijst hij naar een onderzoek dat aantoont dat vrouwen met borstkanker langer leven naarmate ze de toekomst positiever tegemoet zien. Maar dat in het Bristol Cancer Help Centre het tegendeel werd aangetoond, schrijft hij niet.

De natuur belicht hij selectief. Planten hebben geen geest, schrijft hij, en zijn daarom puur en daarmee leveranciers van zuivere geneeskrachtige stoffen. Prachtig, maar als planten geen geest hebben en dus op dat niveau geen verstoringen kunnen hebben, hoe kunnen ze dan toch ziek worden als ziekte per definitie een geestelijke ontwrichting is?

Een ander punt is het gemak waarmee Van Vierzen een oorzakelijk verband legt tussen gelijktijdige ontwikkelingen. Een voorbeeld is de afname van besmettelijke ziekten. Volgens hem zijn besmettelijke ziekten groepsziekten, vandaar dat ze tot epidemieën kunnen uitgroeien. Wie zich onttrekt aan de groep, heeft minder kans ziek te worden. Daarom, concludeert hij, is er een logisch verband tussen de opkomst van individualisme en de afname van besmettelijke ziekten. Effecten van vaccinaties verwijst hij dan ook naar het tweede of zelfs derde plan. Bovendien zijn ze volgens hem eerder gevaarlijk dan nuttig.

Soms draaft hij in zijn speculaties wel erg ver door en dat leidt tot ridicule uitspraken. Zo is het volgens hem logisch dat sommige pasgeborenen die met flitslicht worden gefotografeerd en daardoor steeds opnieuw schrikken, na enkele dagen geel worden. Het is verbazingwekkend dat zo'n redenering anno 1999 nog in druk verschijnt.

Los van deze extremen kan gezegd worden dat Van Vierzen in dezelfde kuil tuimelt als de kuil waarin hij de reguliere arts ziet verdwijnen, namelijk ziekte en genezing, of het uitblijven van genezing, verklaren uit een systeem. Hecht de reguliere geneeskunde in zijn ogen uitsluitend aan het stoffelijke, de materie (de mens, inclusief de geest, is een chemische fabriek), in de klassieke homeopathie draait alles om het onstoffelijke. Terecht, meent hij.

Hieruit trekt hij vervolgens enkele duidelijke conclusies. Mensen, schrijft hij, zijn zelf verantwoordelijk voor ziekte en genezing. Verstoringen op geestelijk niveau maken ons vatbaar voor kwalen; op datzelfde niveau moet ook orde op zaken worden gesteld. Uitgekiende homeopathische geneesmiddelen kunnen hierbij helpen, reguliere middelen niet. Integendeel, die onderdrukken symptomen en veroorzaken zo ernstiger kwalen. Naarmate meer onderdrukkende behandelingen zijn toegepast, zal ons levenseinde beroerder worden. Hoe waar dat is, zou blijken uit de toenemende aandacht voor euthanasie. Conclusie: de reguliere geneeskunde richt enorme schade aan, de klassieke homeopathie redt wat er te redden valt.

Van Vierzens heldere taalgebruik laat geen ruimte voor misverstanden als het gaat om deze conclusies en de redeneringen die eraan ten grondslag liggen. Diezelfde helderheid echter maakt ook duidelijk op hoeveel plaatsen en hoe ernstig zijn stellingen en argumenten rammelen.