*

Zoveel zelfkwelling; NIEUW DEEL BRIEVEN LAAT NOG MEER ZIEN HOE BEZETEN FLAUBERT SCHREEF

bewaar
Door: redactie
27-2-98 - 00:00

HET IS NOG meer de kroniek van een schrijversleven dan welke van de eraan voorafgaande delen ook, het vierde deel van de complete briefwisseling van Gustave Flaubert....

Er gaat soms zelfs iets bedreigends van uit: zoveel overgave aan wat uiteindelijk een handvol boeken geworden is, zoveel zelfkwelling en zelfverloochening, het is haast onmenselijk. Van de gebroeders Edmond en Jules de Goncourt, die in hun dagboeken hun ontmoetingen met Flaubert nauwkeurig en levendig hebben beschreven en die, doordat ze zoveel vrienden en kennissen met hem deelden, ook veel berichten van derden over hem hebben opgetekend, wisten we al dat hij als een bezetene aan zijn boeken werkte. Veertien uur per dag aan zijn schrijftafel doorbrengen in zijn kluizenaarsverblijf in Croisset, vlakbij zijn geboortestad Rouen, was voor hem eerder regel dan uitzondering.

Het is het beeld dat we in alle getuigenissen van zijn tijdgenoten aantreffen. Hier was een schrijver aan het werk die als het om de literatuur ging het woord compromis niet kende. Zijn ambitie en zijn ijver, ze hebben van begin af aan een verpletterende indruk gemaakt op wie hem las of kende. Behalve door zijn onsterfelijke werken zal hij voortleven als de auteur die zich heeft opgeofferd aan de literatuur, als de schrijver die een onwrikbaar geloof had in het métier van de schrijver - en die ook niet anders kon dan dat geloof devoot en zeloot belijden. De gedachte aan een alternatief schijnt niet bij hem te zijn opgekomen.

Dat zijn allemaal duizelingwekkende woorden, waar je het gemakkelijk een beetje benauwd van krijgt. Maar hoe juist ze zijn, blijkt pas uit die brieven. Zo levendig kunnen Flauberts collega's en vrienden de wijze waarop dat schrijverschap gestalte kreeg niet verbeeld hebben, of de dagelijkse praktijk, voorzover deze uit brieven aan vrienden, verwanten en uitgevers valt terug te lezen, is toch nog weer beklemmender en griezeliger.

Nu het werk van de bezorger van zijn brieven, Jean Bruneau, er bijna opzit - er komt na dit deel, dat de periode 1869-1875 beslaat, nog slechts een deel - treedt het patroon van dat schrijversleven tot in de kleinst achterhaalbare details aan het licht. Dat was in grote en kleinere lijnen al eerder gebeurd: Flauberts correspondentie werd in de jaren twintig en dertig al eens uitgegeven, en in de jaren vijftig was op die editie een substantiële aanvulling verschenen, die in omvang de oorspronkelijke zelfs overtrof. Van enkele afzonderlijke correspondenties waren nadien nog verbeterde uitgaven verschenen, maar dat waren door hun besloten karakter eerder de kronieken van een vriendschap - die met George Sand, bijvoorbeeld.

Bruneau's uitgave is de systematische ordening van wat je maar het best het reilen en zeilen van een schrijfmachine kunt noemen. Vanaf die eerste brief, waarmee Bruneau nu 25 jaar geleden het eerste deel van de correspondentie opende en die de nieuwjaarswensen van de net 8-jarige Gustave aan zijn moeder behelsde, tot aan de laatste in dit vierde deel - een lange brief uit de laatste dagen van 1875 aan George Sand; Flaubert net 54 en met, al kan hij dat niet weten, geen vijf jaar meer te gaan - ligt het nu voor ons.

Zo goed als die eerdere uitgaven ook waren, de verstrijkende tijd woelt toch weer keer op keer nieuwe schatten los uit het zand dat op de bodem van de oceaan der geschiedenis nog zoveel verongelukte trofeeën vasthoudt. Bruneau heeft uit deze periode van zes jaar 76 nieuwe brieven boven water weten te krijgen, waaronder enkele belangwekkende, en hij heeft er in vergelijking met de uitgave van Conard 99 weten te completeren.

En zoals altijd heeft hij ze voorzien van een voorbeeldig apparaat van varianten en aantekeningen, uitputtend en gebruikersvriendelijk: hij deinst er niet voor terug bepaalde inlichtingen of toelichtingen bij verschillende brieven telkens opnieuw op te nemen. Zijn uitgave laat zich daarom niet alleen maar bestuderen of systematisch lezen, maar leent zich evengoed voor het onderhoudende, aangename lezen - voor bedlectuur.

Dat is dan wel bedlectuur voor lezers die bestand zijn tegen de somberte van de schrijver, tegen zijn vermoeidheid die soms ronduit depressiviteit is, tegen zijn honger naar roddel en achterklap uit het Parijse literaire leven, tegen zijn terzelfdertijd beleden afkeer van alles wat met het kleine bedrijf van de literatuur te maken heeft, tegen zijn eeuwige gejeremieer over geld of liever gezegd: geldgebrek.

Tegelijkertijd is die systematische bestudering de meest verkieslijke, want de meest lonende. Liefst moet ze nog worden ingebed in de parallelle lezing van een hele reeks andere boeken - die van het dagboek van de Goncourts, en dan ook nog in de complete versie, in een doos vol elk voor zich in kleine doosjes verpakte delen van Robert Ricatte uit het midden van de jaren vijftig, en de Oeuvres Autobiographiques van George Sand die in 1970-'71 al in de Bibliothèque de la Pléiade verschenen. Voor je het weet raken tijdens het lezen van een deel van Flauberts correspondentie de tafels en de stoelen in je huis bedolven onder een aantal vierkante meters papieren hoogbouw.

0 EN SCHEPT op die manier zijn eigen Flaubert-biografie, beter en evocatiever dan wie van zijn officiële biografen ook dat totnogtoe voor elkaar heeft gekregen. In zekere zin zijn die wankele stapels boeken ook zo zinnebeeldig voor die biografie, want dat is de biografie van iemand die veel meer herschreven heeft dan hij ooit schreef, van iemand die zich suf las om zich te documenteren voor zijn romans, van iemand die zelf leefde van vergelijking en onderzoek.

Alleen al om de eigenaar van een aardewerkfabriek te kunnen beschrijven, een figuur die in de grote roman uit deze fase van zijn leven, L'éducation sentimentale, een rol zou spelen, werd Flaubert lezend en reizend een ongeëvenaarde keramiekspecialist. Om het decor van de verwikkelingen in die roman te kunnen oproepen, reist hij dagen, weken per koets door Parijs om de betreffende locaties met eigen ogen te kunnen aanschouwen en hij leest van verschillende kranten de jaargangen 1847 door om de sfeer van vlak voor de revolutie van 1848, zo belangrijk voor de grondtoon van zijn boek, te kunnen reconstrueren. Zevenenhalf uur in de bibliotheek oude kranten lezen, het was geen ongebruikelijke besteding van zijn dagen.

Moet er een kraamkliniek beschreven, Flaubert bezoekt er een aantal en schrijft elke vriend en kennis aan die er kijk op zou kunnen hebben. Voordat hij die machtige synthese van politiek, cultuur, maatschappij en mentaliteit van een tijdvak schiep die L'éducation sentimentale ook is, sleepte hij alle elementen van die tijd uit hun vergeethoek - en de correspondentie is te lezen als het logboek van die onderneming.

En dat mondt dan allemaal uit in die juichkreet in de brief die Flaubert op 16 mei 1869 aan zijn vriend Jules Duplan schrijft, 'Fin! mon vieux! - Oui, mon bouquin est fini', met bij 'bouquin' dan zo'n typisch Bruneau-nootje dat daarmee Léducation sentimentale wordt bedoeld - voor het geval de lezer te laat heeft ingeschakeld. 'Ik zit sinds gisterochtend acht uur aan mijn tafel', meldt Flaubert aan Duplan, en 'la tête me pète'. Maar dat deert hem niet. Dat hij zijn brief in het hoofd nauwkeurig dateert met 'vier minuten voor vijf 's ochtends' en dus kennelijk bijna 24 uur aan het werk is, al evenmin.

Hij heeft dan ruim vijf jaar aan zijn boek gewerkt, dag in, dag uit - letterlijk, weten we uit de tweede helft van zijn Correspondance deel drie, en hij greep daarbij terug op eindeloze werkzaamheden aan een eerdere versie van hetzelfde boek uit de jaren veertig, zie deel een.

Het boek is voltooid, er kunnen afschriften worden vervaardigd voor de meelezers - onder wie zijn vriend en eerdere reisgenoot Maxime du Camp, die het manuscript van een hele serie aantekeningen voorziet -, en er kan uit worden voorgelezen. Aan George Sand, de Goncourts en prinses Mathilde, die er ieder voor zich in de correspondentie van de achterliggende jaren al eindeloos mee waren lastiggevallen en die er gedurende de zomermaanden van 1869 nog menig epistel over zullen ontvangen.

Rust nu, denk je als lezer van honderddertig jaar later, enigszins onbehaaglijk overvallen door gevoelens van ongepast voyeurisme, rust in de tent. Vrij nemen, een reis gaan maken en straks de drukproeven corrigeren.

Vergeet het maar: voor de maand juni ten einde is, in de verste verte nog geen drukproeven te bekennen, is Flaubert alweer als een dolleman in de weer met zijn volgende boek, La tentation de Saint Antoine, dat op een al even belegen en gerijpt plan teruggaat en dat vijf jaar later zal verschijnen, zo tegen het einde van dit deel van Flauberts correspondentie.

Terwijl een van zijn goede vrienden die zomer aan een akelige nierkwaal sterft - geen mineraalwater, geliefde therapie voor bijkans elke kwaal in het Frankrijk van die dagen, is er tegen opgewassen - en Flaubert beredderaar van diens literaire nalatenschap wordt, bereidt hij zich voor op zijn triomf. Sinds het verschijnen van Madame Bovary heeft zijn status als schrijver zulke proporties aangenomen dat een nieuw boek van hem al jaren voor verschijnen in het nieuws is.

0 R WORDT naar uitgekeken - en als lezer van de correspondentie voel je de klap al aankomen, zeker als de grote literatuurcriticus van die periode en toegewijde lezer van Flaubert, Charles Augustin Sainte-Beuve, in het najaar van 1869 ook nog komt te overlijden. Flauberts boek zal in handen vallen van critici die hij als trouweloze en jaloerse oplichters beschouwt. Ze meesmuilen over zijn werk; echt afkraken doen ze het niet, maar ze noteren de teleurstelling van de hooggespannen verwachtingen - en daarmee bezegelen ze het lot van de man die daar zoveel aandacht en energie in heeft gestoken, de man die zich zo afhankelijk heeft gemaakt van de verwachtingen die hij wat betreft L'éducation sentimentale had voor zijn prestige en zijn inkomen. Vier jaar na verschijnen is de eerste druk van het boek nog niet uitverkocht. Flaubert zal er al die jaren in zijn brieven op terugkomen en er zelfs de onrustige politieke toestand, die uitmondt in de Frans-Duitse oorlog van 1870-'71, de schuld van weten te geven.

Vijf, misschien wel tien jaar in scherven: de kwellingen die de heilige Antonius moest ondergaan, vallen erbij in het niet. De martelingen die Antonius op zijn beurt Flaubert oplegt, die zich immers tot doel heeft gesteld Antonius' wederwaardigheden te boek te stellen, voegen zich scherfsgewijs bij die van de nazorg over zijn eerdere boek. In de vijf jaar waarin we hem nu volgen, zullen het vooral zijn collega's George Sand en Ivan Toergenjev zijn die de meest literaire en menselijke brieven ontvangen, het literair interessantste deel van de correpondentie - Sand op haar buiten in Nohant of in Parijs, Toergenjev in Parijs of in Duitsland.

Toergenjev, die een zoveel lichtere opvatting van het schrijverschap had, bevond zich daar een groot deel van zijn tijd in het gevolg van zijn minnares, kurend en dansend, spelend en zichzelf met het schrijven hooguit verstrooiend. Tussen de bedrijven door ontving hij post van Flaubert, verbluffend beknopt geadresseerd aan 'Toergenjev, in Baden of in Stuttgart', post die binnen anderhalve dag aankomt en weer twee dagen later alweer beantwoord is.

Uit de scherven spreekt het patroon, dat je niettemin zelf mag leggen, per brief, per briefreeks, per maand correspondentie, per individuele correspondentie of voor het geheel. Maar zoals een kristal in zijn kleinste afsplitsing dezelfde tekening vertoont als in een grote klontering van die kristallen, zo is elke brief afzonderlijk het bericht van Flauberts schrijversleven, waarvan alle brieven samen het verslag vormen.

Michaël Zeeman

Gustave Flaubert: Correspondance IV (janvier 1869 - décembre 1875).

Bezorgd door Jean Bruneau.

Gallimard, Bibliothèque de la Pléiade; import Nilsson & Lamm; 1485 pagina's; ¿ 159,60.

ISBN 2 07 011436 8.