Vergeleken met de voorname Vecht mag het Gein, die zich door het groene polderland tussen Weesp en Abcoude slingert, niet meer zijn dan een 'boerenrivier', de schilderachtigheid van de grillige stroom werd eind zeventiende eeuw al geroemd in verzen....
Zij werden ontboden naar de omgeving van Weesperkarspel, waar kapitale buitens waren verrezen van rijke Amsterdammers, en mochten tegen betaling in een zogeheten hofdicht de loftrompet steken over lustoorden als Driemond, 't Block, Beek en Hoff, Vredelust, Schoonoord, Groene Gein en Geinvreugd, hun bloementuinen, boomgaarden, moestuinen en vijvers, die soms door middel van buizen in verbinding stonden met het Gein.
Zo wijdt Antoni Jansen in 1693 113 regels aan 't Block, waarbij hij ook de overvloed aanstipt van producten van de eigen grond, de 'ongekochte spijs'. Collega-dichter Lukas Schermer sierde conform de mode van die dagen een romantisch gedicht ter ere van een huwelijk op Vredelust op met fictieve pastorale elementen: herders, een glooiing, een echo.
Het Gein - Levensloop van een rivier (Uniepers; * 39,90) bevat bijdragen van vijftien auteurs, die ingaan op een groot aantal aspecten, beginnend bij de aantrekkingskracht die het Gein uitoefende op dichters, maar ook op schrijvers (Nescio), schilders (Mondriaan, Simon Maris, Maurits van der Valk, Gerrit Haverkamp) en fotografen (met als pionier Jacob Olie). Ze belichten de waterbeheersing, de bewoners, de boeren, hun erven en landerijen in het stroomgebied, en de bedreigingen waaraan de omringende natuur blootstaat. Dat 'het groene intermezzo van het Geingebied' tot nu toe zo goed bewaard is gebleven, schrijft Jan Slofstra in het slothoofdstuk 'Het Gein bedreigd', is een optelsom van gunstige geografische factoren.
Het Gein stroomt door een grensgebied. De Hollandse Kade vormt de eeuwenoude natuurlijke scheiding tussen Holland en het Sticht, een hindernis die ook Amsterdam, dat in de jaren zestig in zuidelijke richting (Bijlmer) begon uit te dijen, niet heeft kunnen nemen. Een spoorlijn naast een snelweg, de A 2, vormen de westelijke begrenzing, in het oosten is dat het Amsterdam-Rijnkanaal.
Daan C. de Clerq belicht de opmerkelijke plaats die doopsgezinden innamen onder de welgestelden die zich een buitenplaats konden veroorloven. Hun geschiedenis begint bij bierbrouwer Laurens Cornelisz. Schouten (1568/9-1642), de meest vermogende inwoner van Weesp. Doopsgezinden, of 'mennisten', waren uitgesloten van openbare functies, maar het kapitaal van Schouten verschafte hem wel degelijk politieke macht.
Na zijn huwelijk met een Amsterdamse verhuisde hij naar de hoofdstad, waar hij zich op de handel toelegde. Hij verwierf nabij het Gein een 'opmerkelijk groot' landgoed, Schoutenhof, dat hij later nog wist uit te breiden.
Na zijn overlijden was er voldoende ruimte voor drie van zijn vier schoonzoons om er een eigen majestueuze buitenplaats te vestigen. Een ervan werd ontworpen door de befaamde Amsterdamse architect Philip Vingboons. Geleidelijk ontstond een concentratie van doopsgezinden. Volgens De Clerq kan 'derhalve met recht worden gesproken van een kleine mennistenhemel'.
Peter Moens gaat in een hoofdstuk over flora en fauna in op de waarde van de huidige natuur in het Geinlandschap. Het water van het riviertje is troebel en bevat veel meststoffen, zodat waterplanten er moeilijk tot ontwikkeling komen. Dat geldt niet voor de soorten die op het water drijven of erboven uitsteken: gele plomp en waterlelie.
Maar het is vooral de vegetatie langs de oevers - watereppe, gele waterkers, zwanebloem, groot pijlkruid, gele lis, moerasspirea, moerasandoorn - die het Gein 'op plaatsen waar de oeverlanden ontbreken een verrassend natuurlijke aanblik geeft'. Op het water dobberen fuut, knobbelzwaan, wilde eend, zomertaling, waterhoen en meerkoet, in het riet houden zich de bosrietzanger, de rietgors en de kleine karekiet op, en in de aangrenzende weilanden broeden slobeend, scholekster, kievit, grutto, tureluur en patrijs.
Het is alleen de vraag hoe lang nog. De laatste jaren wordt de betrekkelijke rust van het gebied steeds vaker verstoord, nadat krachtige actiegroepen in de jaren zeventig verdere stadsuitbreiding van Amsterdam een halt wisten toe te roepen. Inmiddels is de vereniging Spaar het Gein weer leven ingeblazen, want uit andere hoeken dreigt nieuw gevaar: de oostelijke hogesnelheidslijn en de mogelijke aanleg van de A 6 dwars door het gebied.
Adriaan de Boer


