WARE LIEFDE is zeldzaam in de moderne literatuur. Alleen in damesromans lijken ze nog te bestaan, de ideale geliefden die elkaar na het overwinnen van allerlei barrières in de armen sluiten....
Op het eerste gezicht lijkt Spoor in haar derde roman, Atlantis, van zulke romantiek afstand genomen te hebben. Het verhaal begint zelfs bedrieglijk realistisch met beelden van het grauwe dagelijkse leven van de hoofdpersoon Céline (Sil), een enigszins labiele vrouw die de wereld afreist in het kielzog van haar echtgenoot, een oceanograaf. Moskou, Oslo, Galway: de woonplaatsen wisselen elkaar regelmatig af, maar Sil ziet weinig verschil. Overal hangen dezelfde Van Gogh-reproducties aan de muur en ligt dezelfde afzichtelijke bruine vloerbedekking.
Portsmouth, hun huidige verblijfplaats, is zo mogelijk nog deprimerender dan alle vorige. De stad is kaal en verloederd, de aprilmaand staat er (met een vette knipoog naar Eliots beroemde regels over 'the cruellest month') bekend om haar 'wreedheid' en Sil wordt geplaagd door nachtmerries en beklemmende herinneringen aan haar jeugd. Als kind probeerde ze, laverend tussen vermaningen en afwijzingen, wanhopig in contact te komen met haar moeder, Reina.
Maar deze grillige, rijk geparfumeerde schoonheid op naaldhakken liet zich weinig aan haar dochter gelegen liggen. Liever verdeelde ze haar aandacht tussen de jeneverfles en een onafzienbare rij minnaars, wat Sil ongewild tot getuige van haar moeders seksuele uitspattingen maakte: 'Reina kruipt op handen en voeten over de groene vloerbedekking, terwijl Wisse haar van achter berijdt. Net als de honden bij de buren doen.'
Zo onwaarschijnlijk gemeen is deze Reina dat ze trekken krijgt van de klassieke boze stiefmoeder (er is zelfs sprake van een kostschool). Ze brengt Sil in paniek met haar spelletjes: 'Maar ik ben niet je moeder, kind, hoe vaak moet ik het nog zeggen: ik-ben-een-mevrouw-die-komt-oppassen.' En als elk kind onder dergelijke omstandigheden gaat Céline ervan uit dat ze de niet aflatende stroom verwijten aan zichzelf te wijten heeft: 'Ik ben een heks, altijd al geweest. Ik luister nooit, ik loop tegen meubels op en ik heb een rare hese stem.'
Geen wonder dat deze 'Silly Billy' op elke nieuwe school weer gepest wordt en een stugge, nukkige puber wordt. Ze heeft zo weinig weet van liefde dat ze zich door het eerste het beste vriendje laat misbruiken: ' 'Toe dan', fluistert hij boos en beweegt mijn hoofd op en neer. 'Zuigen, zuigen, zuigen.' '
Aan haar ellende komt na verloop van tijd pas een einde, als ze een rustige en betrouwbare echtgenoot krijgt. Zo schichtig als Sil is, zo kalm is deze Atlan, die met een op den duur wat vermoeiende metaforiek steeds met oceanische termen wordt aangeduid. Atlan lijkt op een van zijn geliefde diepzeedieren en wanneer hij zich concentreert, is zijn blik omhoog gericht 'zoals bij een platvis'. Hij is 'mysterieus en koel' als een bewoner van Atlantis en zijn wereldbeeld doet denken aan 'de ringen op een schelp'.
Wonderlijk genoeg houdt Céline niet van de zee, ze is er zelfs doodsbang voor. In de loop van het verhaal wordt duidelijk dat haar angst is terug te voeren op een zwempartij in haar jeugd, toen ze als vijfjarige door toedoen van haar moeder haast verdronk. Zwemmen is daarna voor Sil altijd 'een zaak van leven en dood' gebleven, maar liever niet in zee. Koortsachtig zoekt ze in elke nieuwe stad het zwembad. Alleen daar voelt ze zich thuis: 'Gedachteloos zwevend in een waterkooi, dansend op gedempt geluid. Badend in het koelste licht smelt ik langzaam.' Voor de lezer die nog niet begrepen had dat Sils voorliefde voor zwembaden iets met de moederschoot te maken heeft, laat Spoor daarover geen misverstand bestaan, als ze Reina bijvoorbeeld dingen laat zeggen als: 'Mijn lieve poesje, mijn kleine zielige Sil. Kon ik je maar weer terug in mijn baarmoeder stoppen. Lijkt je dat niet geweldig?'
Wanneer ze niet in het zwembad ligt, is Sil een 'stekelig en schilferig' wezen dat de deur niet uit durft. Aan de telefoon wordt ze nog altijd gemanipuleerd door haar moeder, die onvoorspelbaar is als een 'Hollandse wolkenlucht bij windkracht acht'. Schuldgevoel ('Zeg, Céline, je neemt mij toch niets kwalijk, hè?') kan plots omslaan in verongelijkte woede ('Heb ik je niet de beste jaren van mijn leven gegeven?'). Na de dood van haar tweede man gaat Reina steeds verwarder en machtelozer klinken.
Zou dat de reden zijn dat de humeurige en krampachtige Sil plotseling opbloeit? Of is het omdat zij en Atlan van Portsmouth naar Zuid-Frankrijk verhuizen? In elk geval wordt de getraumatiseerde Sil van het ene moment op het andere een zonnige vrouw die een onverwacht krachtige seksuele energie aan de dag legt. In erotisch opzicht profiteren beide echtelieden daarvan, zoals opnieuw met maritieme metaforen wordt aangegeven: Atlan heeft geduldig het juiste getij afgewacht, en op het moment van de springvloed draait Sil zich om hem heen 'met de kracht van een gelanceerde harpoen'.
Maar er is meer aan de hand. Sils plotse lustgevoel wordt mede veroorzaakt door het betoverende buurmeisje Gisèle. Sil flirtte vroeger in zwembaden altijd al met meisjes, 'haar jonge zeehonden', maar nu wordt ze volledig verteerd door 'een alles overheersende, zich steeds verder uitbreidende geilheid die als een dichte nevel tussen mij en de wereld hangt'. De donkere Gisèle doet Sil in alles aan haar moeder denken; zelfs hun parfum is hetzelfde.
Op een zoele zomernacht bereikt de hartstocht een hoogtepunt. Na een uit de hand gelopen etentje is Gisèle zo dronken dat Sil en Atlan haar moeten ondersteunen op weg naar huis. Man en vrouw betasten het mooie meisje. Tot hun handen elkaar vinden en Gisèle niet meer is dan 'de oplossende schakel die Atlan en mij in begeerte tot elkaar brengt'. De volgende dag gaat het echtpaar in hervonden harmonie op weg naar de volgende Van Gogh-reproductie.
Veel is er bij het oude gebleven in Spoors boekenwereld. In haar vorige roman, Het huwelijk, was ook al sprake van een labiel vrouwtje en een mystieke, maar moeizame liefdesband met een bedaarde man die niet helemaal van deze wereld was. Pas na een driehoeksverhouding met een donkere schone vonden de echtelieden elkaar gelouterd terug.
Het lijkt een formule, één, die van de personages poppen maakt in een rollenspel. En hoewel Atlantis aanmerkelijk meer symbolische en psychologische diepgang heeft dan Spoors vorige romans, zijn de schommelingen in Sils zielenleven toch niet meer dan 'oppervlaktegolven op een kalme zee'. Geen enkele innerlijke noodzaak stuwt het verhaal vooruit.
De meest wijze uitspraak wordt gebezigd door Reina, wanneer ze het adagium van een oude tante citeert: 'Voordat je wat dan ook zegt, moet je je altijd drie dingen afvragen. Is het waar? Is het nodig? Is het aangenaam?' Als Spoor beter naar haar eigen personage had geluisterd, was Atlantis nooit geschreven. Want een roman hoeft gelukkig niet waar te zijn, en ook niet per se aangenaam, maar hij moet wel nodig zijn.
Yra van Dijk
Hendrickje Spoor: Atlantis.
De Bezige Bij; 145 pagina's; ¿ 29,50.
ISBN 90 234 3689 X.


