*

Sensitief cynisme uit Amsterdam-Zuid

bewaar
Door: redactie
27-3-98 - 00:00

HERMAN KOCH begint zijn verhalen in de bundel Geen agenda met het beeld van een manke duif die op een tak staat te balanceren....

Op die manier maakt Koch meteen duidelijk dat er geen vooropgezet, zingevend plan is waaraan het schrijven is onderworpen. De titel van de bundel wijst ook in die richting. Het heeft, net als bij de teksten die Koch schrijft voor het televisieprogramma Jiskefet, geen zin om naar een diepere betekenis te zoeken. Het schrijven kan, net zomin als het leven zelf, in doelmatige banen worden geleid.

Wie wel poogt orde aan te brengen, zoals Martha uit het titelverhaal, bedriegt zichzelf. Deze Martha klampt zich vast aan de ene afspraak na de andere in haar overvolle agenda: 'Soms was de afspraak voorzien van een kleine toevoeging. (Geen rijst!) stond er achter G. en H. hier eten, en onder Eten bij L. en J. waren in grote haast en bijna onleesbaar de woorden 'Honderd jaar eenzaamheid terugvragen' neergekrabbeld.'

Stiekem bladert de verliefde verteller, zelf agendaloos, door Martha's uitpuilende boekwerk, dat in zijn ogen staat 'Voor een Ander Leven bijvoorbeeld: een Ander Leven vol vertakkingen en zijwegen die allemaal in de agenda tezamen kwamen'. Geleidelijk ziet hij in hoeveel mistroostigheid er schuilgaat in die dikke agenda.

De mengeling van minachting, medelijden en humor waarmee Koch in dit geval Martha afbeeldt, is een terugkerend gegeven in deze bundel. Of zijn verhalen nu gaan over haar, of over de Franse Virginie die naar eigen zeggen 'ook schrijver' is, of over de eenzame spits van F.C. Barcelona, steeds zijn het portretten die evenveel compassie als ergernis opwekken.

Maar hoe scherp Koch ook is over anderen, het meest vilein is hij wanneer hij zichzelf beschrijft. Altijd is er een 'ik' aan het woord die Herman heet, schrijver wil worden en een wat droevige figuur is.

De schrijver vertekent zijn beeltenis in een spiegel van ironie, en we kunnen slechts gissen naar zijn ware gezicht. Is hij de kwetsbare jongeman uit de vorige roman Eindelijk oorlog, of het arrogante baasje dat hij nu neerzet in het verhaal 'Sadako wil leven'? Onbeschaamd koketteert hij in dit verhaal met zijn schrijftalenten, die zich al vroeg openbaarden: 'In de laatste klas van de lagere school wist ik al dat ik later wereldberoemd zou worden.'

Maar 'Sadako wil leven' is in de eerste plaats geschreven om Koch weer een van zijn stokpaardjes te laten berijden: het in zijn ogen verwerpelijke Montessori-onderwijs. In zijn eerste roman Red ons, Maria Montanelli haalde Koch al uit naar het anti-autoritaire systeem. En in dit verhaal, dat zich afspeelt op een Montessori-basisschool, horen we hoe Herman al op 11-jarige leeftijd zwoer 'de strijd tegen de onbeperkte vrijheid met alle beschikbare middelen te zullen voortzetten'.

Wat Koch dwarszit is de hypocrisie van het systeem, waar de schijn van vrijheid slechts dient om de autoritaire instelling te maskeren. De huichelende leerkracht uit 'Sadako wil leven' belichaamt alles waar Koch bezwaar tegen maakt: 'Meneer van Eeghen glimlacht nog steeds. Maar het was net of de glimlach zich van het gezicht had losgemaakt en nu alleen nog op eigen kracht in de lucht hing.'

Ondanks Kochs bezwaren lijkt het Montessori-systeem patent te hebben op het kweken van het geestige cynisme waarmee Koch en ook zijn jongere school- en buurtgenoot Arnon Grunberg naam maken. Ze slaan beiden een sarcastische toon aan die blijkbaar heeft kunnen gedijen in Amsterdam-Zuid. Ook hun stijl, met de vele herhalingen, vertoont grote overeenkomsten. De volgende zin van Koch had zo uit de pen van Grunberg kunnen vloeien: 'Het maakte ons allemaal weinig uit: in de Beethovenstraat waren de mensen allemaal behoorlijk stom - maar hoe stom en in welke verschrikkelijke en onvoorstelbare proporties, daar konden wij ook toen nog nauwelijks weet van hebben.'

Koch en Grunberg houden er beiden een visie op na die kan worden omschreven als 'sensitief cynisme'. Achter het venijn schuilt een onmiskenbare gevoeligheid. Met al hun sarcasme beschrijven ze een wereld waarin de stommiteit van de mens niet onderdoet voor zijn tragiek. In een of twee rake zinnen schetst Koch bijvoorbeeld 'Het Grote Schrikbeeld', de eeuwige alcoholist naar wie niemand wil luisteren. Schrijnender nog dan de man is zijn hond onder de barkruk, onzeker hoe lang deze baas nog baas zal blijven: 'Daarom richtte hij ook elke keer zijn kop op wanneer er iemand binnenkwam. Elke nieuwe bezoeker werd door de hondenblik afgetast op mogelijkheden. Op een eventuele gezamenlijke toekomst. Een toekomst waarin de hond niet alleen achter zou blijven.'

Ervoor wakend melodramatisch te worden, wisselt Koch dit soort passages af met absurde situaties die tegenwicht moeten bieden. Het is nooit helemaal duidelijk of het waar is wat Koch vertelt (zou hij echt met de spits van Barcelona iedere nacht op vrouwenjacht zijn geweest?) en soms weet je zeker dat het niet waar is (hij heeft vast niet op een nacht in Amerika bij een vuurtje op het strand gelegen met Janis Joplin, Keith Moon en Mick Jagger: 'Jimi Hendrix was in geen velden of wegen meer te bekennen').

Sommige van de verhalen lijken in de eerste plaats een vehikel voor losse observaties die om een context verlegen zaten. De selectie in Geen agenda, waarin veel verhalen die al elders verschenen of bewerkingen zijn van Kochs wekelijkse stukken in de Volkskrant, had wel kritischer gekund.

Nogal flauw is 'Kick off 2', waarin het voetbaljargon op de hak wordt genomen. Een team wint 'omdat er meer voetbal in de ploeg zat', of omdat het 'een mooiere partij voetbal neerzette'. Het is kenmerkend voor Koch dat hij ook meteen uithaalt naar het milieu dat zich niet met voetbal inlaat: 'Voetbal was in die tijd gewoon een beetje stom. Alle sporten waren behoorlijk stom in de kringen waarin ik me destijds bewoog.' Het verhaal wordt alleen gered door dit vermogen van Koch om de zaken van twee kanten tegelijk te belichten.

Zijn talent voor tweeslachtigheid komt het beste tot zijn recht in 'Schrijven en Drinken'. De heroïsche toon waarmee hij zijn drankgebruik beschrijft, gaat gepaard met een pijnlijke zelfanalyse: 'Hij heeft het over dingen die hij nog van plan is te gaan doen. Soms stoot hij daarbij iets om.'

De liefde voor de drank heeft Herman geleerd van zijn naar Amerika geëmigreerde, Harley-rijdende 'oom Ron'. Deze magistrale figuur maakt in één vakantie een professioneel drinker van zijn neefje Herman, die overigens van jongs af aan al had uitgekeken 'naar de leeftijd waarop ik oud genoeg was om mijn eigen drankprobleem te creëren'. Op Rons veranda hoort Herman wijsheden over de alcohol als: 'Je moet eerst weten wat de drank met jou doet, en daarna kun je bedenken wat jij met de drank gaat doen.' Het duurde niet lang voordat Koch wist wat hij van de drank wilde: 'Elke schrijver weet dat je van drank beter gaat schrijven.' Een beetje goede schrijver is er zelfs mee getrouwd: 'De drank wil met jou onder één dak, door dik en dun, en voor de eeuwigheid.' Het is voor zijn lezers te hopen dat Koch voorlopig nog onbekommerd naar de fles blijft grijpen.

Yra van Dijk

Herman Koch: Geen agenda.

Meulenhoff; 157 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 290 5439 5.