*

Schizofreen Egypte; JORIS LUYENDIJK DOET VERSLAG VAN EEN JAARTJE CAIRO

bewaar
Door: redactie
3-4-98 - 00:00

AL LEZEND in Egypte - Een goede man slaat soms zijn vrouw voelt men iets van de cultuurschok die de student Joris Luyendijk moet hebben ondergaan, toen hij in 1995 midden in de nacht aankwam in Caïro, niemand aantrof, moest overnachten in een 'nulsterrenhotel', om de volgende dag te belanden...

Het moet gezegd; Joris Luyendijk klaagt daar niet over. Want hij wilde juist tussen gewone Egyptenaren in een volkswijk in Caïro wonen. En Shubra is een volkswijk, 'zo arm dat geen taxi er vrijwillig komt', maar met een 'weldadige gemoedelijkheid'. Hij heeft een beurs van de Egyptische regering gekregen en gaat een jaar studeren aan de faculteit voor politieke wetenschappen aan de universiteit van Caïro.

Luyendijk, die Arabisch en politicologie heeft gestudeerd en inmiddels freelance journalist is, wil onderzoeken of islam samen kan gaan met democratie. En hem interesseert ook de vraag: 'Hoe integreert eigenlijk een Hollander in de Egyptische cultuur?'

Het antwoord op deze vraag valt eigenlijk nog het meest duidelijk uit. Luyendijk moet na een jaar constateren dat hij een gast, een buitenstaander is gebleven. De opvattingen van zijn Egyptische vrienden worden steeds vreemder en stuitender. Een van de laatste hoofdstukken begint met de vraag: 'Kun je vrienden zijn met mensen die er volstrekt verwerpelijke meningen op na houden?'

Egypte - Een goede man slaat soms zijn vrouw, Luyendijks eerste boek, is geen diepgravende analyse van de situatie in Egypte, dat wordt geteisterd door corruptie en een toenemend fundamentalisme. Luyendijk wil vooral verslag doen van zijn belevenissen in de miljoenenstad Caïro. Hij geeft de gesprekken weer met Egyptische studiegenoten en taxichauffeurs, beschrijft zijn ervaringen met huisbazen, het leven op de universiteit en zijn moeizame contacten met de logge bureaucratie.

Een hoofdrol is weggelegd voor vijf Egyptische 'vrienden': Muhammed de Feminist, Tantawi de Vrome, Ali de Piekeraar, Imad de Fundamentalist en Hazem de Liberaal. Uit hun gesprekken leert hij onder meer dat er niet één islam bestaat, maar verschillende islams, al naargelang met wie je praat. De vraag of islam en democratie verenigbaar zijn, blijft in wezen dus onbeantwoord. Mohammeds leer wordt op verschillende manieren geïnterpreteerd, wat niet erg verrassend is.

Luyendijk blijkt met enige jeugdige onbezonnenheid aan zijn Egyptische avontuur te zijn begonnen. Want het is tamelijk naïef te veronderstellen dat een vriendschap tussen een westerse student en een fanatieke moslim langere tijd standhoudt. Gaan inwonen bij een fundamentalist is vragen om moeilijkheden, en die komen dan ook spoedig. Op een kwade dag roept Imad de meest vreselijke dingen over homoseksuelen (in zijn ogen 'gestoorde, zieke wezens', die ter dood veroordeeld moeten worden als behandeling niet helpt), waarop Luyendijk zegt: 'Maar Imad, dat is fascisme.' Einde vriendschap.

De sterke kant van het boek is dat de denkwereld wordt blootgelegd van jonge Egyptenaren die tot de intelligentsia van het land willen behoren. Wat de lezer daarbij te zien krijgt, is bepaald deprimerend en beangstigend. President Mubarak wordt door het Westen gesteund, maar de Egyptische samenleving beweegt zich weg van en keert zich fel tegen het Westen en tegen de joden. Als Luyendijk op zijn laatste dag langs de universiteit van Caïro rijdt, noteert hij: 'Hier leerde ik dat de westerling een gewelddadig en imperialistisch karakter heeft en dat joden van nature materialistische samenzweerders zijn.'

Het boek roept het beeld op van een wereld die door de moderne communicatiemiddelen steeds kleiner wordt, terwijl de bewoners van de diverse continenten meer en meer vreemden voor elkaar worden. De mensen kijken naar elkaar via het tv-scherm, maar kennen elkaar slecht. Egyptische studenten hebben bijvoorbeeld een beeld van Nederland dat totaal niet strookt met de werkelijkheid.

De Egyptische samenleving, ofschoon uitgerust met tv en de computer, beweegt zich terug naar de negentiende eeuw. Het proces van secularisatie heeft plaats moeten maken voor een proces van islamisering, waarbij de traditionele rol van het gezin en vooral van de vrouw wordt benadrukt, blijkt uit het boek. Studenten bepleiten de invoering van de sharia, de islamitische wetgeving met zijn barbaarse straffen, al dan niet aangepast aan de huidige tijd.

Dit alles gaat gepaard met een dubbele moraal. Vrouwen dienen als maagd het huwelijk in te gaan; seks voor het huwelijk is dus volstrekt ondenkbaar. Maar veel Egyptische mannen gaan naar de hoeren. Ali de Piekeraar, die sociologie studeert, noemt 'schizofrenie' het grootste probleem van Egypte.

Dat blijkt. Hazem, die rechten studeert, noemt zichzelf liberaal, maar als zijn zus overspel zou plegen, zou hij haar doden. 'Islam is gewoon de waarheid', verkondigt hij, en getrouwde vrouwen behoren niet buitenshuis te werken. De sharia moet woren ingevoerd, want dat wil 70 procent van alle Egyptenaren.

De gesprekken van Luyendijk met studenten en studentes draaien vaak om de positie van de vrouw, om relaties, liefde en seks. Opvallend daarbij is dat sommige jonge vrouwen ontkennen dat de islam de vrouw onderdrukt. 'Nederlandse vrouwen worden zelf onderdrukt. Het is tegennatuurlijk als vrouwen buitenshuis werken', aldus Dalya, studente in de chemische biologie. Dat Egyptische mannen soms hun vrouwen slaan is niet leuk, meent ze, maar onvermijdelijk. 'Een man die zijn vrouw nooit slaat, kan geen goede man zijn.' Ook het uithuwelijken van meisjes vindt ze geen probleem.

De meningen van Egyptische vrouwen lopen overigens nogal uiteen, bijvoorbeeld over de hoofddoek die ongeveer door de helft van de studentes wordt gedragen. Iemèn, die fundamentalistische ideeën huldigt, draagt geen hoofddoek, en meent dat de islam dat ook niet voorschrijft. Salama, studente in de filosofie, gaat gesluierd, want 'ik denk dat mijn religie dat wil'. Maha meent dat het dragen van de hoofddoek geen verplichting is, maar ze voelt zich prettiger met de higèb. Layla draagt geen hoofddoek, maar meent dat de islam dat wel voorschrijft. Dat vindt ook Hind.

Wie heeft er gelijk? De lezer blijft verward en ontredderd achter. Hij wordt overspoeld met deels choquerende meningen, waarvoor 'je in Nederland misschien wel de bak in gaat', zegt Luyenijk tegen een student. En in Egypte? Hoe wijdverbreid zijn die opinies? Welke toekomst gaat het land tegemoet? Zal het fundamentalistische geweld - tijdens het verblijf van Luyendijk werden achttien Grieken doodgeschoten - verder toenemen?

Enige duiding ontbreekt. Een verklaring daarvoor kan zijn dat Luyendijk zich steeds ongemakkelijker is gaan voelen. 'Ik denk niet dat ik ooit iets van jullie ga snappen', zegt hij ergens halverwege het boek.'

Het meest schokkend is het op één na laatste hoofdstuk, dat onder meer gaat over jodenhaat. Egypte heeft als eerste Arabische land vrede met Israël gesloten, maar het antisemitisme is niet verdwenen. Dit blijkt duidelijk begin november 1995 als de Israëlische premier Rabin (in het boek wordt hij foutief president genoemd) in Tel Aviv wordt vermoord. Niet alleen oppositiekranten, maar ook enkele bevriende studenten reageren verheugd op de aanslag.

'Hoe om te gaan met jodenhaat?' Twijfel overvalt Luyendijk of de Nederlandse aanpak van jodenhaat - het is slecht en verder moet je het negeren - wel de juiste is. 'Ik heb nul argumenten paraat tegen deze haatlawine.' Volgens Luyendijk komt dat doordat in Europa racisten worden voorgesteld als monsters, wat veel Europeanen weerloos maakt tegen 'netjes gekapte en fris ruikende' jodenhaters. 'Ook in Egypte blijkt een innemende verschijning prima samen te gaan met misdadige ideeen.'

Luyendijks afscheid van Caïro na een jaar is een treurige vertoning. Zijn Hollandse maaltijd en Hollandse muziek worden niet erg gewaardeerd. Twee vrienden hebben een verrassing. Zij hebben een meisje opgepikt, waarmee ze om beurten een kwartiertje dansen en vrijen. De islam verbiedt dit alles streng. Maar ergens in het boek staat: 'Niets is wat het lijkt.'

Jan Luijten

Joris Luyendijk: Egypte - Een goede man slaat soms zijn vrouw.

Podium; 235 pagina's; * 34,90.

ISBN 90 5759 102 2.