*

Vlamingen werkten mee aan Hollands welvaart

bewaar
Door: redactie
3-4-98 - 00:00

JE KUNT erop wachten. Vóór de kiezer op 6 mei ter stembus gaat, zal de VVD het aanscherpen van het asielbeleid aan de orde stellen....

Grote immigratiegolven uit het niet zo verre verleden werden veroorzaakt door de uitwijzing van de joden uit Spanje (1492), de protestantse exodus uit de Zuidelijke Nederlanden in de zestiende eeuw, de vlucht van de Hugenoten uit Frankrijk eind zeventiende eeuw.

Je zult ze de kost moeten geven, de nakomelingen van deze ontheemden. De Britse historicus Jonathan Israel schat in The Dutch Republic dat omstreeks 1590 de immigranten uit de zuidelijke Nederlanden 10 procent uitmaakten van de bevolking van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Zij waren geconcentreerd in delen van Holland en Zeeland, waar hun aandeel in de bevolking procentueel gezien veel hoger was.

De ontvolking van de Vlaamse steden was groot. Antwerpen telde in 1583 84 duizend inwoners; vijf jaar later, in 1589, 42 duizend. Gent verloor de helft van haar bevolking. Mechelen herbergde in 1550 dertigduizend mensen; het inwonertal was in 1590 geslonken tot elfduizend.

Hollandse en Zeeuwse steden kenden daarentegen een explosieve groei van de bevolking. Tussen 1570 en 1620 verdrievoudigde de bevolking van Middelburg. Leiden telde in 1581 dertienduizend inwoners, in 1600 26 duizend. In Amsterdam was rond 1600 een op de drie inwoners immigrant. Haarlem groeide van veertienduizend in 1570 naar 39 duizend in 1622.

Het is moeilijk zich voor te stellen hoe deze Hollandse en Zeeuwse steden de asielzoekers absorbeerden, woonruimte ter beschikking stelden en een nieuw bestaan boden. Volgens Israel is deze 'toevloed van kapitaal en geschoolde arbeidskrachten' uit de Zuidelijke Nederlanden een van de bepalende factoren voor het 'economische wonder' dat zich in de Zeven Provinciën voltrok: de geboorte van de Gouden Eeuw.

De historicus N.W. Posthumus, die in 1908 met zijn dissertatie over de Leidse lakenindustrie voor generaties historici de toon zette, meende dat de massale immigratiestroom vanuit de Zuidelijke Nederlanden de Hollandse textielindustrie heeft gered van de totale ondergang. Dit beeld van 'gunstige bijeffecten' van immigratie heeft decennialang de geschiedschrijving beïnvloed.

Zonder afbreuk te doen aan het nut dat immigranten hadden voor het gastland, heeft Herman Kaptein het gewaagd de geschiedenis grondig te herschrijven, althans wat de ontwikkeling van de Hollandse textielnijverheid betreft. De Vlaamse textielondernemers en -arbeiders die in Holland neerstreken, redden noch de nijverheid van een gewisse ondergang, noch brachten zij de aan hen toegeschreven doorslaggevende productvernieuwing.

Kaptein baseert zich mede op de uitputtende studies van Posthumus, maar heeft, omdat deze vrijwel uitsluitend Leiden tot studie-object hadden, zelf onderzoek gedaan naar de textielnijverheid in Haarlem. Daarbij kon hij de leemte opvullen, die was ontstaan door de sterke nadruk op de lotgevallen van de lakenindustrie. Onderzoek door Kaptein toont aan dat er evenzeer sprake was van een bloeiende linnennijverheid.

De opstand tegen het gezag van Filips II, de inleiding tot de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), had direct invloed op de internationale handel van Holland en op de nijverheid in het algemeen. Het beleg en het ontzet van Leiden (1574) leken de ondergang van de Leidse en de Hollandse textielnijverheid, die al sedert het begin van de zestiende eeuw in verval was geraakt, te bezegelen. Het wonderbaarlijke herstel nadien werd dus vooral toegeschreven aan de gevluchte Vlaamse textielarbeiders.

Dit beeld werd versterkt doordat vóór de Opstand sprake was van 'oude draperie' (draperie in de betekenis van laken, wollen stof) tegenover nieuwe, uit het zuiden afkomstige, draperie. Hetgeen de suggestie wekte dat er sprake zou van productinnnovatie, hier geïntroduceerd door Vlamingen.

De studie waarop Kaptein onlangs promoveerde, komt tot een tegengestelde conclusie. Al vóór de Opstand was er een parallelle ontwikkeling van de Vlaamse en Hollandse textielnijverheid die elkaar over en weer beïnvloedden. De zogeheten lichte draperie is niet voor het eerst in Holland geïntroduceerd door 'de saaiwerkers van Hondschoten'. Reeds in het begin van de zestiende eeuw was het Gooi al overgestapt van 'grof' naar 'licht'. En halverwege die eeuw kreeg het Hollandse linnen navolging in Zuid-Nederlandse linnencentra.

De stromen zestiende-eeuwse vluchtelingen van zuid naar noord hadden wel een gemeenschappelijke vijand (de intolerante godsdienstdwang van de katholieke Spaanse overheersers), maar geenszins een gemeenschappelijk doel. Zo reisden Antwerpse suikerfabrikanten naar Hamburg, omdat Holland nog geen rol speelde in de internationale suikerhandel.

Israel merkt op dat Utrecht, dat veel leegstaande kloosters telde en dus in ruime mate ateliers ter beschikking kon stellen, vergeefs poogde Vlaamse textielarbeiders te lokken. Groningen, in 1594 veroverd door prins Maurits, probeerde hetzelfde, doch had evenmin succes. Want de Vlaamse ondernemers en textielarbeiders gingen naar de steden die zij kenden als textielcentra en waarmee zij vanouds banden onderhielden; naar Haarlem dus, en Delft, Leiden en Middelburg.

Het meegebrachte kapitaal, de kennis en arbeidskrachten waren meer dan welkom. Het succesverhaal van de laken- en linnennijverheid na de Opstand was gebaseerd op wat voordien was ontwikkeld aan kennis en vaardigheden.

Het 'economische wonder' van de Gouden Eeuw was veeleer te danken aan het opheffen van handelsbelemmeringen, de vrije vaart op rivieren en de zeeën, en de interne stabilisering van de Republiek. De producten waren er, ze moesten nog worden verkocht, liefst ook in het buitenland. Dat lukte de textielnijverheid, maar ook andere takken van nijverheid en handel die eveneens konden meeprofiteren van de komst van de zuidelijke 'Nederlanders'.

Hun integratie in de Noordelijke Nederlanden bleek geen probleem. Daarvan getuigen nu nog de Devilee's, Defilee's, Defilets, Devilé's en al die honderden andere 'vreemde' achternamen in het Hollandse en Zeeuwse.

Harry van Seumeren

Herman Kaptein: De Hollandse textielnijverheid 1350 - 1600 - Conjunctuur en continuïteit.

Verloren; 288 pagina's; * 49,-.

ISBN 90 73941 17 2.