RUDOLF KERKHOVEN, hoofdfiguur in Hella Haasse's documentaire roman Heren van de thee, ziet na jaren van scheiding zijn ouders terug, die intussen een plantage zijn begonnen in de Preanger....
'Het ontroerde hem te zien', lezen we in het boek, 'hoe zij probeerden in hun huishouden op Ardjasari de sfeer en de gewoonten vast te houden van hun leven in Dedemsvaart en Deventer. Overdag waren zij in Indië, hun gedrag en werkzaamheden afgestemd op de onderneming; maar zodra het donker werd sloten zij de deuren van de binnengalerij, en zaten daar onder de olielamp in die met draperieën van gebloemde stof, portretten, kunstplaten en snuisterijen zo Europees mogelijk aangeklede ruimte. Er stond zelfs een piano. Zoals destijds in Nederland zongen zij ook hier 's avonds tweestemmig uit Valerius' Gedenckclanck.'
Het ontroert inderdaad. Een al wat ouder Nederlands echtpaar, entrepeneurs in de thee, opgenomen in een exotisch landschap en omringd door dienstbare Soendanezen - maar 's avonds worden de tropen buitengesloten, en zingen ze samen aan de piano een Hollands geuzenlied tegen de Spaanse tirannie: kolonialen met hun rug naar de kolonie.
Het is dan 1871. Hoe representatief was toen al zo'n tafereel, en hoe lang is het representatief gebleven? Tot het eind aan toe, ben je geneigd aan te nemen op grond van de talloze memoires, dagboeken, correspondenties en romans (Daum, Walraven, Marie van Zeggelen) die over het blanke leven in het oude Indië zijn overgeleverd.
In de brieven die de in 1910 geboren mevrouw Schulte Nordholt tussen 1937 en 1947 uit Indië aan haar schoonmoeder in patria schreef, kom je eigenlijk ook nog alles tegen wat in die ene alinea van Hella Haasse werd opgeroepen over het koloniale familieleven van bijna zeventig jaar eerder. De wereld is wat moderner geworden, de post doet er niet zo lang meer over, een beetje blanke heeft thuis telefoon (maar pas na twee jaar meldt de briefschrijfster dankbaar dat ze nu ook een radio hebben), en steeds meer Nederlandse mannen leven keurig getrouwd met hun Nederlandse vrouwen.
Maar juist dat laatste feit - uitkomst van welbewuste Haagse gezinspolitiek - moet de verdere 'verhollandsing' van de koloniale gemeenschap in de hand hebben gewerkt. Vóór die tijd waren alleenstaande mannen nogal eens aangewezen op een inlandse huishoudster (de njai, niet zelden moeder van de nodige Indo-Europese nazaten) en daardoor sterker georiënteerd op de Indonesische samenleving; daarna zouden ze zich als gezinshoofd verschansen in huiselijke bolwerken van draperieën, gebloemde stoffen, portretten, kunstplaten, snuisterijen en piano's voor Merck togh hoe sterck.
'We hebben de muren laten bespannen met lajar', schrijft Oet Schulte Nordholt op 7 juni 1937 aan haar schoonmoeder. 'De schilderijtjes komen nu ook veel mooier uit. Er hangt: een stuk van Rembrandt, verder een plaat van de Cuneratoren en dan nog twee winterkiekjes van Wezep. Nu hebben we met de laatste boot nog een prachtige plaat gekregen, een houtsnede met hele mooie zonnebloemen.'
Thuis: dat is de plek in de tropen waar de tropen als het ware zijn ontkend.
De rol van de vrouw - moeder, echtgenote, ambassadrice van het blanke gezag, hoofd van een menagerie met drie of vier inlandse bediendes - was in die sociaal-culturele configuratie per definitie van doorslaggevend belang.
In het geval van mevrouw Schulte Nordholt kwam daar nog bij dat ze op een buitenpost terechtkwam (het eiland Soembawa, waar haar man als aspirant-controleur begon), dat wil zeggen in een omgeving met niet meer dan een handjevol mede-Nederlanders, weinig voorzieningen en zonder de betrekkelijke 'geborgenheid' van sociaal verkeer in een grote stad. Ze was 26, van simpele Veluwse (en gereformeerde) komaf, nauwelijks opgeleid - maar blijkens haar goedgemutste brieven heeft ze haar taken van meet af aan even blijmoedig als kordaat en verstandig vervuld.
Haar geheim zat in de zorgvuldige bewaking van de uit Nederland meegevoerde zeden en gebruiken, normen en waarden: alles moest gedaan worden om te voorkomen dat zij, of haar man, of haar kinderen zouden verindischen. Iets wat op integratie zou kunnen lijken bleef beperkt tot af en toe een feestelijke rijsttafel, tien woorden pasarmaleis, minigesprekjes (meestal in bevelvorm) met de baboe of de tuinjongen, en een enkele representatieve visite aan een inlands hoofd.
'Toch zal u 't zich erg moeilijk kunnen voorstellen', schrijft ze in een wat neerslachtige bui, 'hoe wij hier eigenlijk leven als enige Europeanen tussen allemaal zwarte broeders. Indië heeft veel mooie dingen, maar kan het Hollandse familieleven toch niet vergoeden'. Van wat zich in dat Indië afspeelde had ze dus ook geen idee - het bleef, afgezien van die paar honderdduizend verspreide blanke bruggenhoofden, een land met miljoenen zwarte broeders. En: 'Als de mensen er goed over nadenken, begrijpen ze dat ze het nu nog niet zonder ons kunnen.' Veel meer zou ze nooit schrijven over de ingrijpende revolutie die zich bij wijze van spreken onder haar ogen voltrok.
Oet Schulte Nordholt hield zich ook na de Japanse bezetting (en voorzover mogelijk zelfs binnen het relatief milde interneringskamp op Celebes) aan de zekerheden van 'thuis': Sinterklaas vieren, meeleven met de koninklijke familie en de preek van zondag. Nog in september 1946 was ze er zeker van dat het Nederlands bestuur nog wel tien jaar zou duren - en ze zal niet de enige geweest zijn binnen de toen nog vrijwel voltallige Nederlandse kolonie die zich hooguit voorbereidde op enige aanpassing aan de vooroorlogse verhoudingen.
Ze was ook vast niet de enige die het soort gezellige, praatzame brieven schreef over dingen van niks. Zo moeten er honderden en honderden zijn geweest, die de verre familie op de hoogte hielden van hun verjaardagsfuifje op Flores, het avondje bridge in Bandoeng, de tennismiddag in Makassar of de vakantie aan het Tobameer, met tussen de regels door nog wat informatie over de voorjaarskentering, een ziek kind, kleine onvrede in het huwelijk of problemen met het personeel.
Gaat de betekenis van zulke brieven de 'sentimentele' waarde van het familie-album te boven? Dat zou misschien zo zijn als de correspondentie van mevrouw Schulte Nordholt de enige in haar soort was gebleven, maar zoals gezegd: we kennen er vele, en er zijn tientallen 'secondaire' bronnen en documenten die ons inzicht geven in de sociale geschiedenis van Nederlands-Indië in het algemeen en de rol van de koloniale vrouw in het bijzonder - en de brieven van Oet voegen aan dat beeld niets specifieks toe. Dat haar zoon, de historicus Henk Schulte Nordholt, ze aanprijst als 'bouwstenen' voor een 'antropologie van het kolonialisme', maakt dan ook een lichtelijk overtrokken indruk, die eigenlijk al meteen is gevestigd in de eerste zin van zijn inleiding.
'Ondanks het groeiend aantal boeken dat over Nederlands-Indië verschijnt, schrijft hij daar, 'weten we steeds minder over het gewone dagelijkse leven in de vroegere kolonie.'
Filosofisch interessanter zou de stelling zijn geweest dat we er steeds minder over weten omdat het aantal boeken groeit - maar los daarvan: als gevolg van welk mirakel kan kennis autonoom afnemen? Hoe 'geamputeerd' is trouwens de kennis van het dagelijks leven in het koloniale Nederlands-Indië, zolang het dagelijks leven in het gekoloniseerde Indonesië ervan wordt uitgestoten - zoals de ouders van Rudolf Kerkhoven de deuren van de binnengalerij dichtdeden om zich midden in de tropen als in Dedemsvaart of Deventer te voelen?
In het jaar dat Oet Schulte Nordholt haar Indische brieven begon te schrijven, werd Minarsih Soedarpo leerlinge van de veelbezongen Koning Willem III-hbs in Batavia. Ze was de dochter van de regent van Bandoeng, en haar ouders waren weliswaar al gescheiden toen zij nog een baby was, maar haar moeder - een opmerkelijk geëmancipeerde Indonesische vrouw - bleef de contacten onderhouden die het huwelijk haar had gegund, dat wil zeggen: zowel in de hoogste Indonesische als Nederlandse kringen. Dus groeide het meisje op in een milieu dat de echtgenote van een eenvoudige Hollandse controleur op de kleine Soenda-eilanden alleen maar uit de verte of van horen-zeggen kende.
Later zou ze zich herinneren dat ze, halverwege de jaren dertig, mocht zwemmen in een zwembad dat 'voor honden en inlanders verboden' was, en leren begrijpen dat de koloniale samenleving niet alleen onderscheid maakte in rassen, maar vooral ook in standen.
Minarsih zou gaan studeren in het jaar van de Japanse inval, het jaar dat een van de twee werelden waarin ze was opgegroeid, instortte, of erger: letterlijk werd buitengesloten, dus uit het zicht van Indonesië verdween. De paradox was voltooid, de deur van de binnengalerij voorgoed gesloten.
Daarbuiten ging het leven voor de Indonesische studente gewoon door: via de bezetting en de onafhankelijkheidsidealen die er vorm in kregen, en de dag waarop Soekarno en Hatta de republiek uitriepen, tot aan de definitieve liquidatie van het Nederlandse gezag - het onherroepelijke verloop waarvan de talloze mevrouwen Schulte Nordholt tot het laatst toe verwachtten dat het zich veel langzamer zou voltrekken.
De herinneringen van Minarsih Soedarpo zijn even summier als de brieven van Oet Schulte Nordholt wijdlopig mogen heten. Maar van elkaar krijgen ze er de dimensie bij die ooit zou kunnen leiden tot een 'volledige' antropologie van het kolonialisme.


