opinie Coen Moulijn. Alleen zijn naam al klinkt en leest als een gedicht. Poëzie met kalk op de flanken, ontstaan op het harde gras van de Kuip uit de vorige eeuw. Coen danste er als linksbuiten overheen, keer op keer, springend over uitgestoken stalen neuzen in prehistorische voetbalschoenen.
Coen was een publieksspeler, zo moeten we hem in de eerste plaats eren en herinneren. Eentje voor wie je naar het stadion ging. Zoals Robben, Van Persie en Beckham later en nog steeds nieuw publiek vonden voor hun clubs. Iconen met de aantrekkingskracht van een strakke videoclip.
Laten we anders beginnen. Want dit verhaal heeft jonge lezers nodig. Coen Moulijn was een soort Arjen Robben, of Robin van Persie, uiteraard. David Beckham mag ook, maar dan aan de rechterkant van het speelveld. In Coens leven schitterden, twitterden en glitterden voetballers nog niet zo heftig.
De voetballer Coen was nog veel meer dan Johan Cruijff of Willem van Hanegem een dinosaurus. Alsof er geen filmbeelden van hem bestonden. Bijna opgegaan in het niets. Flarden in een collectief geheugen. In de Kuip ooit overhoop geschopt door spelers van Real Madrid. Feyenoorders gingen kwijlend van woede op jacht naar de daders. 'Heren, heren nou toch', zei de tv-verslaggever. Mijn moeder riep me uit mijn bed zodat ik het tumult rond Coen zelf kon zien.
Gelukkig publiceerde uitgeverij De Buitenspelers (!) in 2009 een stevig boek over het leven van Moulijn. Schaf het aan als je wil weten hoe zijn leven eruit zag. Tragisch en vrolijk, lief en leed delend meestal ook met Feyenoord, tussen de paskamers van zijn kledingzaak.
Coen was een publieksspeler, zo moeten we hem in de eerste plaats eren en herinneren. Eentje voor wie je naar het stadion ging. Zoals Robben, Van Persie en Beckham later en nog steeds nieuw publiek vonden voor hun clubs. Iconen met de aantrekkingskracht van een strakke videoclip. Zij flitsen al zonder dat er een editor op de beelden van hun rushes en acties wordt losgelaten. Zo flitste Coen ook. Nu is Coen dood, het is niet anders. En dus mag je, als je aan hem wil blijven denken, een samenvatting van zijn leven snijden. Voor mij zal hij altijd de man blijven die hordes jonge fans naar stadions trok.
Daar dacht ik aan toen ik op 2 januari een sms kreeg van een trouwe Feyenoorder; geen hooligan, wel harde kern.
,,Jaar slecht begonnen. Coen Moulijn gisteren getroffen door herseninfarct. Ziekenhuis. Status onbekend.''
Ik stuurde terug: ,,Da's zwaar kloten.''
Paar uur later: ,,Deels verlamd. Aanspreekbaar. Uitvalverschijnselen. Ernst onbekend. Arme man.''
Ik weer: ..Veel meegemaakt ook.''
Reactie: ,,Nier naar zijn zoon. Helaas recent overleden. Niet alles is mooi in het leven. Geniet van geluk, gezondheid en je naasten.''
Ik tik het sms'je hier uit om in een paar woorden te illustreren hoe Feyenoorders tijdens de feestdagen het dreigend verlies van een boegbeeld ondergaan. Ajacieden, Utrechters en Twentenaren zullen het niet anders doen, trouwens. Intens en zichtbaar rouwen om het verscheiden van een bekend iemand heeft zich in de afgelopen tien, twintig jaar een plaats verworven in onze nationale gebruiken. Het zal om Moulijn niet anders gaan.
Voetbalfans zeggen altijd dat niemand groter is dan de (hun) club. Bij Coen ligt dat toch anders. Wat mij betreft, was Moulijn in zijn topdagen veel groter dan Feyenoord. Hij bond een ander publiek aan zich, dat misschien wel minder had met de club en meer met de stilist op links. Daarom moet ik bij dit afscheid ook denken aan een jongen als Robben, groter dan Groningen, Londen en München. Ooit was Coen ook zo jong en veelbelovend als toen de huidige elite startte. En ooit ging je dus voor hem naar het stadion. Het zag er allemaal een stuk lulliger uit, met van die wijde broeken, plompe schoenen en slecht zittende shirts. Maar de fijnzinnige performances van de linksbuiten lieten zich niet verdoezelen door een vormeloze outfit. Hij draaide zijn tegenstanders dol met pirouettes waarbij de hoekvlag het enig houvast was voor welke rechtsback dan ook. En behalve die paar Madrilenen van destijds, kon niemand kwaad op hem worden. De fonkeling in de dribbels van Moulijn bond iedere liefhebber aan hem, waar dan ook.
Het zal in 1965 of 1966 geweest zijn, dat hele hordes jonge mannen op een zondagmiddag bij ons door de straat trokken. Geen idee wat er aan de hand was. Moulijn speelt vandaag in de stad, zei mijn vader. Moulijn! Tegen onze club. Dat wilde ik zien. Als 9-jarige, korte broek, met drie kwartjes in de hand in de verkeerde rij. Na lang wachten eindelijk aan de beurt, hoefde niet te betalen van de man die er stond om kaartjes te scheuren. Mijn plek wist ik al wel; bij de cornervlag waarvan ik wist dat Moulijn er drie kwartier lang zou opduiken.
Ik stond tussen Feyenoorders. Rotterdamse viswijven sloegen elkaar met paraplu's op het hoofd, geen idee waarom. Ik bleef geconcentreerd op de acties van Moulijn, voor altijd gewonnen voor het onnavolgbare in een buitenspeler.
Over Moulijn valt veel na te praten, te rouwen, te mijmeren. Hij bleek genoeg te hebben meegemaakt voor een boek zo dik als dat over Johan Cruijff en Willem van Hanegem. Een standbeeld kreeg hij. Voor mij blijft het een herinnering aan een frêle man die me deed vergeten dat ik een clubsupporter was, ik ging ineens van voetbal houden.
Het soort voetbal dat nu nog jongens én meisjes naar stadions trekt; spelen voor de lol, kijken naar Robben, dromen van Beckham, bijgepraat over Coen Moulijn. (CHRIS VAN NIJNATTEN)


