Volledig scherm
© Marco de Swart

Verbijsterd naast Evert

Evert Jurriëns, telg uit het bekende Utrechtse familiebedrijf dat bouwt en restaureert, is deze week overleden. Ingmar Heytze kende Evert al bijna zijn hele leven en herdenkt hem.

 Wanneer je iets wilt zeggen over een dode die je mist, heb je het altijd over jezelf.

Dat is lastig. Je wilt iets vertellen dat de gemiste persoon op de een of andere manier recht doet, maar je komt niet verder dan een verhaal over je verhouding tot de dode.

In dit verhaal zal het niet anders gaan.

Ingmar Heytze schrijft wekelijks over het leven in de monumentale oude binnenstad, oftewel het 3512-postcode- gebied.

Evert is dood. Maandag is zijn uitvaart. Hij was anderhalf jaar jonger dan ik. Er zijn weinig mensen die ik langer heb gekend dan hij. We voetbalden al bij Kampong toen we nog maar heel klein waren.

Zelf herinner ik me daar bijna niets meer van. Een piepjong pupillenelftal is weinig meer dan een opgewonden klont misverstanden om het vermoeden van een bal heen. Maar Evert had een beangstigend goed geheugen. Ik vraag me af waar dat gebleven is.

Evert vertelde me - hij was een goede verteller - dat ik indertijd één talent bezat. Ik kon de bal bijna rechtstandig indrukwekkend ver omhoog trappen, waarna ik door mijn lange blonde haar ging staan kijken waar hij neer zou komen. Dat was het. Meer heeft niemand me in die tijd op een sportveld zien doen.

Medelijden

In praktische zin was dat bijna nooit wat de wedstrijd nodig had. Maar ik kon, als iemand me uit medelijden aanspeelde, domweg niets anders bedenken dan de bal zo hard mogelijk wegtrappen, altijd met zo'n torenhoge punter naar de grijze, motregenende hemel tot gevolg.

Het was geen talent, eerder een gebrek. Maar dat geldt voor de meeste talenten.

Quote

Zo'n torenhoge punter naar de grijze, motregenende hemel

Evert was al jaren ziek. Hij wist dat er een forse kans bestond dat hij ofwel zijn ziekte, ofwel de ingrijpende behandeling van die ziekte niet zou overleven. Dat feit zag hij al die tijd onder ogen, met dezelfde scherpte waarmee hij altijd de wereld in heeft gekeken, en dat roestvrijstalen geheugen dat nog ergens hoort te zijn.

Verbijstering

Zo stond ik eergisteren opeens in totale verbijstering naast Evert, die met een flauwe glimlach op zijn gezicht in een kist niet meer lag te bestaan.

Ik praatte een beetje onbeholpen tegen hem aan, ergens in het midden van gedachten waar u verder niets mee te maken heeft.

Binnen de minuut realiseerde ik me waar ik mee bezig was. Ik stond te converseren tegen een afwezige, in het luchtledige, met mezelf, niet met hem.

Aan Everts doodsbed deed ik precies wat hij me had zien doen toen we elkaar, bijna een leven geleden, voor het eerst tegenkwamen: een gat in de lucht schieten en dan verdwaasd omhoog kijken, wachtend op een bal die niet meer naar beneden komt.

In samenwerking met indebuurt Utrecht

Utrecht