Deze docent nodigde Sylvana Simons en Annabel Nanninga uit in zijn digitale les

Serie: leven met coronaHoe vergaat het Amsterdammers in deze tijden? ­In deze rubriek interviewen we iedere dag een andere Amsterdammer over de impact van het coronavirus op hun leven. Vandaag: Docent maatschappijleer Tom van der Wel (59) nodigde Sylvana Simons en Annabel Nanninga uit in zijn digitale les.

Tom van der Wel
Volledig scherm
Tom van der Wel © privébeeld

“Ik heb structuur en regelmaat nodig, anders loop ik met mijn ziel onder de arm. Ik sta om half zeven op, voer de katten en maak een ontbijtje. Dan yoga om mijn hoofd leeg te maken en motivatie voor de dag op te doen. Die focus is belangrijk voor me, anders is mijn dag echt minder.

Daarna beginnen de technische voorbereidingen voor de les. Die zijn best ingewikkeld, met Microsoft Teams. Ik ben docent maatschappijleer en geef online lessen waarin ik ook gasten uitnodig. Eerst minister Arie Slob en vorige week wethouder Rutger Groot Wassink. Deze week Sylvana Simons en Annabel Nanninga om de coronaproblematiek eens te bekijken vanuit een andere politieke visie. De interviews werden gedaan door leerlingen, die eerst werden gecoacht door Cécile Koekkoek, tot voor kort eindredacteur van De Wereld Draait Door, en mijn buurvrouw. Je moet je netwerk wel een beetje inzetten.

Er waren tegen de zeventig leerlingen online en als pauze-entertainment had ik mijn pianostemmer gevraagd. Die zit in complete lockdown in Calpe in Spanje en hij kan daar smeuïg over vertellen. Over hoe de verspreiding in Spanje sneller verloopt doordat ouderen daar meer bij hun kinderen wonen, en ook had hij een aanvaring met de Guardia Civil.

De napraat was in een zelfgebouwde greenroom. De gasten hadden het erg gewaardeerd en het is ook opvallend hoe flexibel leerlingen zijn, maar het merendeel was het toch wel zat. Eentje zei: ik had nooit gedacht dat ik het zou zeggen, maar ik zou nu liever naar school gaan.

De interviews met Sylvana en Annabel waren erg geslaagd. Eerst stelden de leerlingen algemene vragen zoals: wat is je motivatie om de politiek in te gaan? Later vroegen ze hun mening over integratie. Sylvana zei: ‘Het gaat niet om integratie, het gaat om acceptatie.’ Annabel zat meer op de lijn: mensen die hier komen, moeten zich aanpassen.

De leerlingen waren verdeeld, ze zaten daar wel tussenin. Vluchtelingen welkom heten, maar wel wederzijds aanpassen.

Het mooie aan deze manier van werken is dat de leerlingen vooraf anoniem een vragenlijst invulden, dus hun mening zonder voorbehoud konden geven. In de klas gaan ze toch eerst om zich heen kijken: wat antwoorden de anderen? Die sociale druk is op deze manier afwezig en dat werkt beter dan in de klas.

Zeker, dat is een voordeel van online lesgeven, en er is nog een hele grote: de knop ‘mute all’. Die zou ik graag meenemen in de echte wereld.”

Dit is het laatste deel van de serie Leven met corona.

Zangeres Cheyenne Toney (25) is teruggegaan naar haar moeder, waar ze rust en focus vond.
Volledig scherm
Zangeres Cheyenne Toney (25) is teruggegaan naar haar moeder, waar ze rust en focus vond. © privébeeld

Zangeres Cheyenne Toney (25) was ineens alleen.

‘Vandaag heb ik lekker getraind met boksen en met mijn moeder een filmpje gekeken. Even qualitytime. Een film op Netflix, The good cops of zoiets. Mijn moeder en ik houden van lachen, altijd al, maar nu zeker.

Ik zou vanavond optreden en overdag les­geven, dat is nu allemaal weg. Ik geef theaterlessen op een basisschool, echt superleuk, en het ging steeds beter, ook het combineren met mijn muziek.

Ik heb nu wel meer tijd voor mijn platform op sociale media. Ik zei altijd dat ik geen tijd had en te druk was met zingen, maar ik heb nu geen smoesjes meer.

Ik moet zeggen, de vorige weken heb ik veel kunnen nadenken. Hoe sta ik als 25-jarige in het leven? Ik merkte dat ik veel dingen die ik heb meegenomen van vroeger opzij heb geschoven. Ik werd geconfronteerd met mijn mentale staat en de vraag wat ik moet doen om geld te verdienen.

Met mijn optredens ging het heel goed. Ik had net een nieuwe opdracht om naar de Caraïbische eilanden te gaan. Ik moest dan wel covers zingen, maar ik zou er veel geld hebben verdiend. Daar rekende ik echt op en ik verheugde me ook op die reis.

Het was dus wel een klap voor me toen dat niet doorging. Tegelijkertijd motiveerde het me om mijn eigen muziek te maken. Dat heeft deze periode voor me gered. Ik was altijd wel bezig met mijn eigen muziek, maar nu heb ik echt gezien dat het loont, in plaats van al die afleiding. Dat is wel tof.

Ik woon alleen, maar ik ben nu bij mijn moeder. Ik ben altijd met zo veel mensen, op straat, tijdens optredens, in de klas. En ineens was ik alleen thuis. Het was wel een klap om dat te verwerken.

In je eentje heb je enge gedachten: hoe ga ik dit overleven? Maar terug bij mijn moeder kreeg ik rust en focus en dan dacht ik: hoe gaan we dit samen overleven? Daarom hou ik mijn hart vast voor mensen die hun moeder niet kunnen zien. Dan heb je echt een zware periode. Nu denk ik: ja, misschien gaat het met mij niet vlekkeloos, maar het kan altijd erger, en ik waardeer heel erg wat ik heb.

Wat voor foto wil je? Eentje van de staat waarin ik nu ben, of als artiest? Want dat is wel een heel groot verschil.”

Eventplanner Anna-Maria ­Giannattasio (51)
Volledig scherm
Eventplanner Anna-Maria ­Giannattasio (51) © Merel Meijdam

Eventplanner Anna-Maria ­Giannattasio (51) ziet ook mooie dingen uit deze periode komen: mensen geven elkaar meer aandacht.

“Het gaat goed! Ik heb veel energie en ben erg gelukkig. Ik word wel snel arm: ik heb een ­evenementenbureau en nu dus nul inkomsten. Maar ik ben tevreden, ik voel vooral berusting.

Ik ben niet getest, maar had wel alle symp­tomen. Ik viel opeens in de hoek van mijn werkkamer in slaap. Ze hebben een matras in de kamer gegooid en daar heb ik vijftien dagen gelegen. Ik voelde me benauwd en steeds als ik dacht dat het beter ging, kreeg ik weer een terugslag. Ik gun het echt niemand. Gelukkig ben ik uiteindelijk de coronarivier overgestoken.

Ik was daarvoor in een congres in het oosten van Nederland. We zaten in een kleine ruimte met allemaal Brabo’s. Ik was dus de trendsetter hier in de buurt. Ik raakte mijn reuk en smaak kwijt en heb in één moeite door mijn gezin aangestoken: mijn zonen van 18 en 19 jaar en ook mijn man. Ze ­kregen het wel in een mildere vorm.

Eens in de zoveel tijd gooiden ze een komkommer of een tomaat naar mijn matras. En ik kreeg veel snert. Dat heeft zeker geholpen: met elke hap voelde ik me sterker worden. Iedereen die corona krijgt, kan ik snert aanraden.

Het gaat nu weer goed, maar ik weet niet of ik untouchable ben. Soms voel ik me een melaatse of schlemielig, maar mensen zijn ook super­aardig. Ik vind de mensen sowieso aardiger, valt jou dat ook op? Een vriendin noemt het ‘radicaal-mild’: mensen zijn minder hufterig.

Ik zie ook best veel mooie dingen hier uit­komen. Mensen zijn meer bereid elkaar echt aandacht te geven. Normaal word je geleefd door je mailbox, maar zonder internet vertraagt het leven. Ik wil niet te boomerig klinken, maar ik zie dat ook de young professionals menselijker worden. Ik hoop dat ze dat volhouden.

Ik heb Italiaanse familie. Daar lopen ze een paar fases van sentiment op ons vooruit. Ze zijn daar nu boos, want ze voelen het in hun loonstrookje. Dat verdriet, die waarheid, die moeten hier nog doordringen. Je voelt nog niet dat je je kinderen minder kunt geven.

Mijn nichtjes werken in de zorg, in het noorden van Italië. In de neven-en-nichtenapp was eerst iedereen aardig, maar nu zie ik fanatieke filmpjes die een schuldige aanwijzen. China bijvoorbeeld, of Europa dat hen in de steek laat. Je hebt alleen een onzichtbare vijand, dus dan ga je er vanzelf eentje maken die je wel kunt zien. 

Nou zeg, en we begonnen nog wel zo optimistisch.”

Nicholas ‘Shaker’ Singer (34), ­oprichter van Global Dance Centre.
Volledig scherm
Nicholas ‘Shaker’ Singer (34), ­oprichter van Global Dance Centre. © privébeeld

Nicholas ‘Shaker’ Singer (34) is bang dat de 1,5 metermaatschappij een blijvertje is.

“Het is nu drie uur ’s middags, normaal zou ik mijn les voorbereiden, joggingbroek klaarleggen en naar mijn dansschool gaan. Om kwart voor vier zie je de kinderen dan weer over het plein rennen, en nu denk ik: ik zit gewoon thuis.

Ik ben altijd met kinderen om me heen. Ik heb het er best wel moeilijk mee. Online dansles is ook mooi, maar dit is niet waar ik alles in mijn leven voor heb opgeofferd. Ik krijg een brok in mijn keel als ik die filmpjes van mijn leden zie. Vooral gisteren. Ik zag een meisje op haar balkon dansen en toen bekroop het gemis me heel erg.

Ik ben 34 en woon in mijn eentje en ik eet toch wel een pak brood per dag. Je zit je toch te vervelen en dan smeer je een broodje chocopasta. Wat moet je anders?

Ik maak dan meteen een vertaalslag. Hoe moet dat met al die gezinnen met een minimuminkomen, met drie of vier kinderen die allemaal de kast opentrekken uit verveling? Misschien kan die moeder dat helemaal niet betalen. Daarom doen we ook helemaal niet moeilijk met de contributie. Geld maakt me niet uit, ik wil weer dansen met mijn leden.

Gelukkig zie ik collega’s een keer per week als we een nieuw onlinefilmpje opnemen. Wel met anderhalve meter afstand en we zijn na een uurtje weer weg. Echt bam, bam, bam, en niet daarna bezweet op de bank naast elkaar high­fiven.

Het is een tijdelijke oplossing, maar als je het nieuws volgt en vooruitdenkt: is dit niet de new order waarin we gaan leven? Daar krijg ik rillingen van.

Moeten we straks altijd op anderhalve meter van elkaar gaan dansen? Dit is niet waarom ik heb gerebelleerd en mijn moeder heb uitgelegd dat ik echt een dansschool wil beginnen waar alle sociale klassen bij elkaar komen, in ’t Gooi en ook hier in Zuidoost, waar iedereen gelijk is.

Gisteren zat ik niet lekker in mijn vel. Toen dacht ik: als ik in mijn eentje sorry tegen de natuur kon zeggen, deed ik het meteen. Wij mensen hebben heel veel fout gedaan. Ik ook. Ik gooide ook zonder na te denken een papieren zakdoekje uit de auto.

Zo’n tijd in quarantaine brengt heel veel reflectie. Dierentuinen bijvoorbeeld, al die dieren in een kooi, dat moet stoppen. Wij zitten nu vier weken thuis en dan hebben wij ook nog gevangenschap in luxe. Is dit een les voor ons?”

Schipper Maarten Leuftink is kapitein op de zeilvaart. Op nieuwjaarsdag vertrok hij naar Gambia, waar hij nu vastzit.
Volledig scherm
Schipper Maarten Leuftink is kapitein op de zeilvaart. Op nieuwjaarsdag vertrok hij naar Gambia, waar hij nu vastzit. © privécollectie

Schipper Maarten Leuftink is gestrand in Gambia.

“Ik zit op een schip bij een klein vissersdorpje in de mangroves van Gambia. Ik moet elke dag water halen met jerrycans op een ezelskarretje en voor boodschappen moet ik de hoofdweg zien te bereiken. Dat is een eind weg en neemt nogal wat tijd.

Op een bepaalde manier is het wel aangenaam. Ik ben opgenomen in het dorpsleven. Ik ken inmiddels iedereen en iedereen kent mij als die gestrande Nederlander op die boot.

Aan de ene kant is het heel erg leuk, maar je begint hier ook de gevolgen van corona te merken. Er is geen uitbraak, corona is niet heel erg zichtbaar gelukkig, maar de overheid heeft wel meteen strenge maatregelen genomen. De grenzen zijn dicht, de markten en restaurants zijn gesloten. Het toerisme is volledig ingestort, en daar is Gambia voor een kwart afhankelijk van. Corona is hier nu niet het grootste probleem, maar de economische wanhoop. Mensen zitten diep in de shit.

Er zijn ook overal plekken waar je je handen kunt wassen, maar niemand houdt anderhalve meter afstand. De bevolking heeft die angst voor corona niet, en bovendien is het hier onmogelijk om afstand te houden.

In Nederland kun je je opsluiten in je huis, maar hier gebeurt alles op straat. Op de markten is het druk, minibusjes zijn volgepropt, mensen eten met hun handen van één bord en ook het jointje gaat nog gewoon rond.

In het dagelijks leven ben ik kapitein op de zeilvaart. Op nieuwjaarsdag ben ik uit Amsterdam vertrokken omdat een goede vriend hier een boot had liggen die opgeknapt moest worden. Het plan was om in april terug te komen. In Amsterdam zou ik gaan werken op een charterschip, maar dat is ook stil komen te liggen, dus wat dat betreft ga ik niet veel missen. Ik ga hier gewoon verder met een project om het jacht­haventje op gang te helpen.

Mijn familie woont verspreid over Europa, we houden contact via WhatsApp. Ik heb goede vrienden in Amsterdam over wie ik me wel zorgen maak. Zij maken zich nog meer zorgen over mij: o jee, hij zit vast in Afrika.

Maar het gaat wel prima met mij. Ik zit op een schip, ik kan me vrij goed isoleren. Al is dat nog moeilijk genoeg. Mensen zijn hier zo warm en sociaal, het is onmogelijk om afstand te houden. Overal krijg je attaya, het is hier echt een theecultuur. Als je dat afslaat, is dat bijna beledigend.”

‘Ik ben wel eens jaloers. Er zijn kinderen die een heel stuk van hun huis mogen gebruiken’
Volledig scherm
‘Ik ben wel eens jaloers. Er zijn kinderen die een heel stuk van hun huis mogen gebruiken’ © Privécollectie

Mats Posthumus volgt de Nationale Balletacademie online in zijn slaapkamer

‘Als de les begint, zet ik mijn laptop op een stoeltje tegen de muur. Ik heb twee of drie jaar geleden een barre van mijn moeder gekregen. Dat is nu wel handig, ik ben hem heel veel aan het gebruiken.

De Nationale Balletacademie is een school voor wie balletdanser wil worden. Ik vind het zelf een fijne school. Ik combineer les op een normale school met de balletopleiding. Het zijn fijne docenten en fijne mensen om me heen.

Op school zijn twee studio’s. Die zijn heel groot. Nu moet ik dansen in een best wel klein kamertje. Dat is lastig. Of: het is anders.

Een les op school duurt 2,5 uur. Eerst met de barre en daarna, zoals wij dat noemen, het midden. Dat zijn danspassen zonder barre. Dat kan nu natuurlijk niet. Vaak hebben mensen niet zo veel ruimte, de les duurt daarom nu anderhalf uur.

Als ik mijn been optil, bots ik soms al tegen de muur. Ik woon niet in een normaal huis, ik woon op een schip, dus mijn kamer is best klein. Nee, nee, geen oude kleren, maar ik schuif wel andere rotzooi onder mijn bureau, zodat de ruimte om te dansen wat groter wordt.

Op mijn laptop zie je allemaal schermen. Die zijn zo klein als een postzegel. Je ziet iedereen op zijn eigen plekje. Ik ben wel eens jaloers. Sommige kinderen mogen een heel stuk van hun huis gebruiken. Als je dubbelklikt op een scherm, komt iemand groot in beeld. Ik doe dat met mijn leraar. Die wil ik graag zien.

Mijn moeder mag niet meekijken, nee, echt niet. Als zij de kamer binnenkomt, ziet de meester dat ook. Ik roep altijd ‘ga weg’ als ze binnenkomt. Ik schaam me een beetje voor mijn moeder.

Mijn leraar zoekt muziek op zijn telefoon en die horen wij ook. Het is een beetje een gruizig geluid. Dat is wel anders, want op school speelt een echte pianist. Maar uiteindelijk is het wel fijn.

Ik vind het fijn om naar buiten te gaan, na een lesje Engels. Ik ga regelmatig een frisse neus halen. Even voetballen met mijn broertje, of een stukje hardlopen of wandelen.

Ook tijdens het voetbal maak ik pirouettes. Dat heb ik gewoon in me, ik weet ook niet wat dat is. Ook in de woonkamer, als ik met mijn vader of moeder in gesprek ben, sta ik wat te draaien. Dat gebeurt gewoon automatisch.”

Alida Roskam
Volledig scherm
Alida Roskam © Privébeeld

Alida Roskam (39) kan niet afstuderen.

‘Stagegerelateerd ziet mijn dag er echt anders uit. Ik ben verloskundige in opleiding, ik zit in mijn laatste jaar. Het idee is dan dat je in principe alles zelfstandig doet. Consulten, controles hoe het psychisch en lichamelijk gaat, uitwendig onderzoek om de groei van het kindje in de gaten te houden, kraamvisites en daarnaast de bevallingen. Dat is hoe mijn leven eruit had moeten zien, maar sinds corona is dat allemaal anders.

Door de veiligheidsmaatregelen kom ik als stagiaire het ziekenhuis niet meer in en ik zie mijn cliënten een stuk minder vaak fysiek. Normaal zie ik een cliënt tien à twaalf keer in het echt. Dat is nu teruggebracht naar een keer of vijf, zes. Ik doe veel telefonisch. Mijn dag bestaat uit bellen, bellen, bellen.

We vragen veel van de zwangeren. We vragen of ze alleen naar een consult willen komen, zonder man of kinderen. Dat wordt wisselend geaccepteerd en dat snap ik ook.

Mijn activiteiten zijn met zeventig procent afgenomen. Voor mijn opleiding moet ik 60 bevallingen zelfstandig hebben gedaan, ik zit op 45. Onder de beste omstandigheden zijn vijftien bevallingen in negen weken al een hele kluif, nu is dat nagenoeg onmogelijk. Het gevolg is dat ik niet kan afstuderen.

Heel heftig vind ik dat, ja. Ik ben al blij dat ik een stageplek heb en me nuttig kan maken in mijn vakgebied, maar het is zuur dat ik niet kan afstuderen. Dat duurt misschien nog zes maanden, of langer.

Ik heb een meisje van acht en een jongen van elf, en een man – iedereen is thuis. Tussen de bedrijven door proberen we de kinderen les te geven, probeer ik te studeren en probeert mijn man te werken. Dat gaat wisselend. Meestal delft mijn studie het onderspit, maar onder de omstandigheden had ik erger verwacht. Ik vind het wel belangrijk om gezegd te hebben: we beseffen heel erg de noodzaak en dat maakt het makkelijker om hier doorheen te komen.

Mijn kinderen zijn onder de twaalf en we ­houden ons aan de RIVM-richtlijnen, dus ze mogen buiten spelen. We proberen wel de groep zo klein mogelijk te houden en we benadrukken 100.000 keer dat ze anderhalve meter afstand moeten houden. Dat gaat wisselend. Mijn dochter doet het eigenlijk best goed, maar mijn zoon vindt het nagenoeg onmogelijk.

’s Avonds ben ik echt uitgeput. Ik lig er om negen uur in, maar ik ben wel in principe altijd oproepbaar. Wat ik kan doen aan bevallingen, wil ik natuurlijk meemaken.”

Lucy de Jong (97).
Volledig scherm
Lucy de Jong (97). © Privebeeld

Lucy de Jong (97) verveelt zich geen moment

‘Ja hoor, als je alleen bent, ben je graag aan de praat. Ik sta om half zeven op. Dan ga ik me wassen en aankleden en gewoon boterhammen eten. Daarna ga ik mijn stoelen boenen, want je moet toch in beweging blijven. Ik heb van die oude eikenhouten stoelen en die zijn al twintig jaar niet geboend, want boenen, dat deed je toch niet? Je wrijft alleen een beetje over zo’n stoel, maar nu heb je er alle tijd voor. Dus na de stoelen, hup, ook de kasten, en zo ga je door het huis.

Ik ga ook nog steeds naar buiten. Ik wandel twee uur per dag. Jazeker, ik ben 97, maar als je dat altijd doet, is dat heel normaal. Vroeger liep ik drie uur per dag, maar dat kan ik niet meer.

Tussen zeven en acht ga ik naar de Appie. Dan mogen er alleen ouderen komen. In het begin ben ik alleen, maar later komen ook anderen. Heerlijk, hoor. Ik voel me helemaal niet zo oud, maar ik ben het wel. Ik loop wel met een rollator.

Om half zes gaat pas de televisie aan. Overdag heb ik ook geen zin in de radio. Daar heb ik geen geduld voor. Ik puzzel veel en lees alles wat los en vast zit. Ik ben ook niet treurig of eenzaam, daar heb ik helemaal geen tijd voor.

Ik schrijf nu ook weer in mijn dagboek. Ik heb mijn hele leven beschreven, vanaf 1907, geloof ik. Ik heb de oorlog meegemaakt en ik heb altijd opgeschreven wat ik allemaal gedaan heb. Want de jonge mensen weten niet meer hoe dat toen was. Op een gegeven moment ben ik ermee opgehouden. Het werd toch een beetje saai. Maar in februari ben ik weer begonnen. Ik probeer over deze tijd wat te schrijven. Hoe ik dat beleefd heb. Ik schrijf heel graag. Ik wilde dat ik boeken had kunnen schrijven.

Niemand mag het lezen. Ik heb gezegd: als ik dood ben, mogen jullie het lezen. Mijn kleindochter is vreselijk nieuwsgierig en mijn zoon vroeg ook al: sta ik er in? Hij keek me wel een beetje benauwd aan. Hij vroeg ook: mag ik het uitgeven? Ik zei: nee, het is particulier, dat mag niet!

Echt, ik kom de dag wel door. Want voor het raam zitten, nee, daar heb ik echt geen tijd voor. Ik drink alleen koffie voor het raam, verder niks.”

Logistiek medewerker Mohamed Naaimi is blij dat hij nog kan werken. Ook heeft hij twee computers weg­gegeven.
Volledig scherm
Logistiek medewerker Mohamed Naaimi is blij dat hij nog kan werken. Ook heeft hij twee computers weg­gegeven. © Privefoto

Mohamed Naaimi (45) helpt waar hij kan.

“Eigenlijk ziet mijn dag er vrij normaal uit, ook tijdens dit coronagebeuren. Ik ben nog steeds aan het werk, veertig uur per week. Dus ik sta ’s ochtends op, ga douchen en dan naar mijn werk. Ik ga met het openbaar vervoer, maar ik hou wel veilig afstand natuurlijk.

Gelukkig werk ik nu niet met collega’s, dat is het veiligst. Ik ben alleen op kantoor. Ik handel de logistiek af van een olieklant en zorg dat spullen op een booreiland terechtkomen. Normaal gesproken doe ik andere dingen en werk ik meer in teamverband, maar veel collega’s werken thuis.

Ik vind het niet erg, het is wel goed zo. Je loopt geen risico en je hebt meer tijd om wat dingetjes op Facebook te doen. Niet dat dat mag van de baas, maar goed. Ach, het maakt niet uit als hij het nu in de krant leest. Die twee pc’s die ik heb weggegeven, waren ook van het bedrijf.

Dat was op de Facebookpagina Amsterdam Corona Help. Daar heb ik twee pc’s aangeboden, voor twee gezinnen die het niet zo breed hebben en met kinderen die nu niet naar school gaan. Ik heb ze schoongemaakt en leeggehaald. Er moeten alleen nieuwe geheugenbanken in.

Er werd meteen gereageerd. Dus ik ga de pc’s naar Nicole in de Baarsjes brengen en haar vader maakt de pc’s weer compleet en zo komen ze terecht bij gezinnen die het nodig hebben. In een paar uur heb je toch mensen blij gemaakt.

Vorige week heb ik ook soep gemaakt. Eigenlijk vind ik het stom van mezelf dat ik dit soort dingen niet veel eerder heb gedaan. Door corona ben ik pas dingen gaan ondernemen voor mensen die het nodig hebben.

Ik woon alleen, maar ik probeer wel zo veel mogelijk contact met mijn ouders te hebben. Waar het kan, doe ik even boodschappen voor ze.

En verder ziet mijn avond eruit als die van veel mensen, denk ik. Je komt thuis, je eet wat en ploft dan op de bank om wat te netflixen. Al zit ik nu ’s avonds ook op internet te kijken of ik nog mensen kan helpen. Dat is wel anders, dat deed ik voor corona dus niet.

Maar het komt er in deze tijd inderdaad op neer dat ik veel alleen ben in mijn vrije uurtjes. Daarom ben ik hartstikke blij dat ik nog werk heb. Dat ik mág werken. Ik mag echt in mijn handjes knijpen.”

Project­manager Linda Cuvelier (35) is net moeder.

“We zitten op een roze wolk natuurlijk en ik probeer al dat coronanieuws niet binnen te laten komen. Als je die cijfers kijkt elke dag, raak je snel uit je bubbel.

We hadden sowieso besloten thuis te bevallen. Het was heerlijk rustig en eigenlijk perfect. Maar ja, dan wil je je meisje natuurlijk aan iedereen laten zien en dan wordt het een ander verhaaltje. Mijn vader zit in de risicogroep en mijn schoonvader is tachtig. Je wilt toch iedereen gezond houden.

Dus bedachten we: laten we raamvisite doen in plaats van kraamvisite.

Vrijdag stond een vriendin met haar gezicht tegen het raam, staand op haar fiets – we hebben hoge ramen, we wonen in een oud schoolgebouw. Dat was fantastisch.

Het was het startschot. Zaterdagochtend kwam mijn beste vriendin. We schoten allebei vol, want ik wist: dit is al heftig, en dan moeten mijn ouders nog komen. Kijk, mijn hormonen schieten natuurlijk ook alle kanten op.

Op zondagochtend kwam de vader van Rein, en ’s middags mijn ouders. Zodat ze ieder toch hun eigen moment hadden. Het was best wel pittig. Voor mijn schoonvader, die alleen is, was het helemaal een dubbel gevoel. En mijn moeder stond al de hele dag te popelen. Ik zei nog: ‘Volgens mij werd jij vanochtend heel gelukkig wakker.’ Ze kwamen net tijdens baddertijd, dus ze hebben door het raam gekeken. Dat was heel mooi en bijzonder.

Het is een andere manier, maar even voor nu de beste manier. Maar je wilt toch het liefst je ouders knuffelen, nu al helemaal.

We kijken de komende tijd wel hoe het verder gaat. Ik ben zelf natuurlijk kwetsbaar, ik heb nog een lage weerstand. En ik moet ook rekening houden met de kraamhulp. Zij zal de komende tijd vast veel meer thuisbevallingen moeten doen en zij mag niet besmet worden door iemand die hier op bezoek komt.

Een lockdown verandert voor mij niet zoveel. Ik ben langzaam aan het herstellen en ik zou toch niet echt naar buiten gaan. Iedereen wil graag langskomen, maar Joke, de vroedvrouw, echt een topper, is erg streng: niet te veel op een dag. Zaterdag stonden er twee als extra verrassingen aan het raam, en dat was net te veel. Joke is al boos op me geweest.

Bobbi Lyn heet ze, met de achternaam van mijn vriend. Bobbi Lyn Ros. Bob Ross is onze inspiratie. Om in deze tijden toch nog een beetje creativiteit en positiviteit in te brengen.”

Rein Ros en Linda Cuvelier met Bobbi. Haar ouders staan achter het raam.
Volledig scherm
Rein Ros en Linda Cuvelier met Bobbi. Haar ouders staan achter het raam. © Hans van der Beek