Volledig scherm
Hanneloes Pen. © Linda Stulic

Hanneloes Pen over vermeende halfbroer van Anne Frank: ‘Zo’n intrigerend verhaal laat me niet los’

InterviewEén vraag hield verslaggever Hanneloes Pen een jaar lang bezig: kon de man die ze had gesproken echt de halfbroer van Anne Frank zijn? Een sluitend antwoord vond ze niet, maar haar zoektocht leverde een thrillerwaardig verhaal op.

Met een stapel papier onder haar arm loopt Hanneloes Pen de redactie op. Het zijn kopieën van paspoorten en andere documenten uit het Stadsarchief, een geheimhoudingsverklaring van laboratorium IFS, folders van de Ruhrakademie en notitieblokken vol namen, adressen, telefoonnummers en aanwijzingen. Ze vormen puzzelstukjes van een puzzel die ze niet passend kreeg: ze kwam er niet achter of prof. dr. Raphael-Maria Goldstein, filmdocent aan de Ruhrakademie, een naoorlogse zoon van Otto Frank is, zoals hij zelf beweert. Het resulteerde in een intrigerend verhaal over de zoektocht. “Ik bewaar dit nog wel even,” zegt ze als ze door de stapel bladert. “De zaak heeft me nog niet losgelaten.”

Hoe kwam dit verhaal op je pad?

“Via Jacqueline van Maarsen, de hartsvriendin van Anne Frank. Ik sprak haar voor het eerst in 2017 voor een stuk over het 75-jarig bestaan van het dagboek van Anne Frank. Via de Anne Frank Stichting kwam ik met haar in contact. Later dat jaar liet ze een versje uit een poëziealbum, door Anne geschreven, veilen en sprak ik haar opnieuw, bij haar thuis. ‘Ik wil eerst lezen wat je van het interview maakt. Als ik het goed vind, heb ik nog een verhaal voor je,’ zei ze na afloop. Ze vond het stuk goed en ik mocht terugkomen. ‘Otto Frank heeft een zoon,’ vertelde ze me toen. Ik realiseerde me meteen de enorme impact die dit gevoelige verhaal mogelijk zou kunnen hebben.”

Geloofde je haar?

“Ze had geen bewijs, maar vertelde dat deze man, Raphael-Maria Goldstein, op zijn derde ter adoptie was afgestaan door zijn moeder en op zoek was naar zijn afkomst. Ze vond dat hij op Otto Frank leek – niet zozeer fysiek, maar in zijn wezen. Van Maarsen was Annes beste vriendin, kende de familie Frank goed en was er stellig van overtuigd dat deze man de waarheid sprak. Volgens haar had Otto Frank na de oorlog een aantal vriendinnen gehad, en ik kende geruchten dat hij een naoorlogse dochter zou hebben. Daarom dacht ik: hier moet ik in duiken. Als dit verhaal waar was, zou het groot nieuws zijn.”

Wat was je indruk van Goldstein, toen je hem begin 2018 ontmoette?

“Op het eerste gezicht vond ik hem een sympathieke man. Hij kwam speciaal uit Duitsland naar Amsterdam voor het interview en heeft me twee uur lang verteld wat hij wist over zijn afkomst. Hij sprak geen woord Engels, het interview ging in het Duits. Helaas had hij zijn adoptiepapieren, documenten van het Rode Kruis waar ik hem om had gevraagd niet meegenomen. Toen hij me de naam en geboortedatum van zijn moeder Esther Goldstein gaf en zei dat ze in de Mercatorstraat had gewoond, dook ik ter plekke in het Stadsarchief op mijn telefoon. Ik vond haar niet.”

Ook latere zoekpogingen naar deze Esther Goldstein leverden niets op: de vrouw die je zocht, kwam in geen enkel archief voor. Waarom bleef je doorzoeken?

“Ik dacht constant: ben ik niet iets vergeten? Zoek ik goed? Welk spoor kan ik nog volgen? Ik ben een jaar lang blijven zoeken naar die moeder en naar bewijzen dat hij de zoon is van Otto Frank, tussen mijn andere werk op de redactie door. Soms zat ik er om elf uur ’s avonds nog over te piekeren, dan dook ik toch weer het archief in en was het ineens halftwee. Ik heb naar Esther Goldstein gezocht in oude telefoonboeken, het archief van Westerbork en het Rode Kruis, de Hongaarse lijst van gedeporteerde Joden. Ik heb de hele Mercatorstraat nummer voor nummer nagelopen in het Stadsarchief. Tevergeefs. Een medewerker van het archief, die ik natuurlijk niet vertelde waarom ik deze vrouw zocht, ontdekte een andere vrouw met dezelfde geboortedatum en afkomst, Ilona Galba, die ook in Amsterdam had gewoond. ‘Dit moet haar zijn,’ zei hij stellig. Onmogelijk, zei Goldstein later, toen ik hem over Galba vertelde en een archieffoto van haar liet zien.”

Heb je deze zoektocht in je eentje ondernomen?

“Ja. Als je zo’n verhaal op het spoor bent, moet je er voorzichtig mee omgaan. Alleen Ronald (Ockhuysen, hoofdredacteur Het Parool, red.) en één chef wisten ervan. Zij moesten weten waar ik was als ik Goldstein bijvoorbeeld ging opzoeken in zijn woonplaats. En natuurlijk moest ik toestemming hebben voor het kostbare dna-onderzoek waarbij postzegels op ansichtkaarten van Otto Frank werden onderzocht. Een hele opgave, want bijna alle forensisch instituten schrokken terug toen ik uitlegde wat de bedoeling was: ze vonden het te gevoelig. Uiteindelijk durfde het gerenommeerde IFS in Hulshorst het aan. In vertrouwen; we hebben geheimhoudingsdocumenten ondertekend.”

Ook dat onderzoek leverde niets op.

“Nee. De postzegels leverden te weinig informatie op. Met dna-sporen op bijvoorbeeld een hoed, bril of kleding van Otto Frank zou uitsluitsel gegeven kunnen worden. Van Maarsen heeft het de familie Frank in Luxemburg nog gevraagd, maar die wilde niet meewerken. Ik heb mijn tante, die na de oorlog au pair was bij de familie, nog terloops gevraagd of zij iets wist van het bestaan van een zoon, maar helaas. Ik was inmiddels al maanden verder en had alleen maar meer vragen. Ik twijfelde aan alles. Zelfs nadat ik hem thuis had opgezocht – ik moest weten met wat voor type ik te maken had, hoe hij woonde, of hij wel echt bij dat instituut werkte. Weer had hij de beloofde documenten niet. En waar hij eerder had verteld dat zijn moeder in Israël was begraven, zei hij nu, toen ik ernaar vroeg, dat ze in Amsterdam was begraven. Ook vertelde hij verschillende verhalen over hoe zijn moeder in Auschwitz was beland.”

Je confronteerde Goldstein er pas in een volgend gesprek mee. Waarom?

“Ik ben eerst alle begraafplaatsen nagegaan in Amsterdam en de omgeving, ook de begraafplaatsen die niet meer bestaan. Geen Esther Goldstein te vinden. Ik lag er echt wakker van: liegt hij? Had zijn moeder gelogen? Wat was hier aan de hand? Er waren ook veel dingen die aannemelijk klonken en die me steeds weer houvast en hoop gaven. Maar toen ik al mijn bevindingen op een rijtje had gezet, moest ik Goldstein wel met zijn tegenstrijdigheden confronteren. Het Parool is een serieuze krant, een krant met een verzetsverleden bovendien. We pakten zijn verhaal serieus op, dus hij moest me vertellen hoe het echt zat. Hij raakte verward van mijn vragen. Ik wilde zijn vrouw nog spreken, maar nadat hij me haar e-mailadres had gegeven verzocht hij me haar niet lastig te vallen. Dat was zo’n dringend verzoek dat ik het niet heb gedaan.”

Toch moest er een artikel komen. Wist je meteen hoe je het verhaal ging opschrijven?

“Helemaal niet. Als journalist ben je gewend iets op te sporen en met de uitkomst en feiten te komen, maar die had ik nu niet. Er waren te veel losse eindjes, te veel doodlopende sporen. Pas toen Ronald zei dat deze zoektocht wel een thriller leek, dacht ik: inderdaad, dit ís het verhaal. Ik besloot mijn speurtocht en die van Goldstein – naar zijn verleden – te beschrijven. Het is een van de meest intrigerende verhalen die ik in mijn dertig jaar bij de krant heb kunnen maken.”

Hoe waren de reacties op je stuk?

“Veel lezers en collega’s lieten weten dat ze het heel mooi vonden, en er is belangstelling van Duitse en Engelse media. Of er na publicatie tips binnenkwamen? Ik kreeg enkele reacties, maar die hebben nog niet tot nieuwe aanwijzingen geleid. Maar iemand die ik voor een ander artikel interviewde, zette me laatst wel aan het denken. Ik weet nog niet of het lukt, maar ik ga nu dus wel weer iets proberen.”

Ga je Goldstein weer bellen?

“Nee, hem hou ik hierbuiten. Hij zal vast teleurgesteld zijn dat ik ben gestopt met de zoektocht, maar er is geen reden om op dat spoor verder te gaan. Wat ik nu wil uitzoeken kan ik nog niet zeggen, maar ik heb er vanochtend nog met Van Maarsen over gebeld. Dit verhaal blijft me bezighouden. Ik hou van zoeken en speuren. En ik kan moeilijk loslaten, zeker als het om zo’n intrigerend verhaal gaat.”