Volledig scherm
Twee zilveren munten uit het wrak, een met een pers geslagen pilaardollar en een Spaanse mat die beiden evenveel waard zijn, 8 realen. Met de oudere Spaanse mat kon echter meer gesjoemeld worden door er onopvallend zilver vanaf te snoeien. © Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed

Iederéén smokkelde op dit VOC-schip

Dankzij opgravingen wordt steeds meer bekend over het in 1740 vergane VOC-schip de Rooswijk én de opvarenden. Dat iedereen een smokkelaar was, bijvoorbeeld. Vandaag (maandag) wordt er een digitale tentoonstelling geopend.

Op de Rooswijk waren in januari 1740 237 mannen aangemonsterd. Alleen de schipper was bekend. Wie er verder aan boord was? Niemand die het wist. ,,Behalve de schipper. En die kunnen we het niet meer vragen”, zegt hobby-genealoog Willem-Jan van Grondelle. Het scheepssoldij-boek is verloren gegaan toen het VOC-schip kort na vertrek verging in een winterstorm voor de kust van Engeland.

Toch wisten Van Grondelle en zijn vrouw Els Vermij 19 namen te achterhalen. Dankzij het Amsterdamse Stadsarchief, waar het paar maandenlang één dag per week was te vinden. Daar bladerden ze door de notariële archieven van de vijftig notarissen die in de jaren dertig van de achttiende eeuw actief waren in Amsterdam. Dikke pakken papier waren het, zegt Van Grondelle. ,,Ze waren honderden jaren niet open geweest.”

Sierlijke letters

In de maanden voor de zeemannen aan boord zouden gaan van de Rooswijk, regelden zij hun zaakjes. Bij de notaris stelden ze een testament op, sloten ze een lening af of gaven ze een volmacht aan hun vrouw of ander familielid. ‘Staande op vertrek met het Schip Rooswijk omme voor de VOC na d’Oost-Indiën te varen’, stond er dan in sierlijke letters in de aktes.

Zo wist het duo 15 opvarenden te achterhalen, via andere bronnen kwamen er nog vier bij. Het waren Amsterdammers, Rotterdammers, zeelui uit Maastricht, maar ook uit Duitsland, Noorwegen en Zweden. De VOC wordt wel de eerste multinational ter wereld genoemd. Van Grondelle: ,,Dat zag je in die tijd ook al aan de bemanning. De Nederlandse samenleving kon ook niet voldoende mensen opbrengen.”

Volledig scherm
Een zilveren pilaardollar van 8 realen uit Mexico. © Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed

Virtuele tentoonstelling

Archeologen, historici en genealogen werken sinds vorig jaar in opdracht van het kabinet samen om het verhaal van de Rooswijk te vertellen, vandaag wordt een virtuele tentoonstelling geopend van alles wat tot nu toe is gevonden. Daar zijn ook een aantal van de munten te zien die aan boord zijn gevonden. Officieel nam de Rooswijk 36.000 zilveren munten mee. Met dat geld kon de Vereenigde Oostindische Compagnie aankopen doen in ‘de Oost’. Het VOC-zilver heeft een hoog zilvergehalte. Maar bij de opgravingen kwamen ook munten naar boven met een lager percentage zilver. En niet een paar, maar heel veel.

Het was smokkelwaar, concludeert maritiem archeoloog Martijn Manders die het project #Rooswijk1740 leidt voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. ,,In de 18de eeuw was een zilveren munt in Nederland 60 stuivers waard. Maar in Indië kreeg je er 100 stuivers voor.” Waarschijnlijk smokkelden alle opvarenden – van officieren tot hooplopers – zulke ducatons mee. ,,We hebben ook munten gevonden waar een gaatje in zat. Waarschijnlijk zaten die in hun kleren genaaid om diefstal te voorkomen. We denken dat er een enorme hoeveelheid gesmokkelde munten aan boord was.”

Quote

We denken dat er een enorme hoeveel­heid gesmokkel­de munten aan boord was

Godsvermogen

De schipper, Daniël Ronzieres, smokkelde vrolijk mee. ,,Kisten vol ducatons nam hij mee.” Dat werd ook duidelijk in het Stadsarchief van Amsterdam. Daar ontdekten historici dat de schipper voor wel 17.000 gulden meenam – een godsvermogen in die tijd. Manders: ,,Om disputen of fraude te voorkomen, werd dat vastgelegd bij de notaris. Het smokkelwaar staat gewoon in de akte.”

De munten zijn bijzonder – de oudste die Manders opdook komt uit 1619 – maar voor archeologen óók een open deur. ,,Het roept de associatie met schatgraven op.” Wat Manders écht het bijzonderste vindt wat hij naar boven heeft gehaald uit zandbank Goodwin Sands, voor de kust van het Engelse Ramsgate: een schoen met houten inlegzolen.

De vondst leverde hem aanvankelijk hoofdbrekens op, maar al snel kwam de ‘aha-erlebnis’. ,,Het schip vertrok in januari 1740. Het was een heel koude winter; min 20 was heel normaal. De houten zolen werkten als isolatie tegen de optrekkende kou.” Toch vertrok de Rooswijk bewust in de winter. Dan had het voor het tweede deel van de reis, rond Kaap de Goede Hoop, betere weersomstandigheden. Al kwam het VOC-schip daar nooit aan.

Volledig scherm
Een plaatje van een musket met het logo van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), de kamer van Amsterdam. © Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed

Onstuimig

Rond 2000 werd het wrak ontdekt. Manders en zijn team begonnen vorig jaar zomer met de opgravingen, die drie maanden zouden duren. Maar eerst kampte het ingehuurde schip met technische problemen en toen was het weer te onstuimig; vooral in augustus kwam het team nauwelijks aan duiken toe. ,,Regen is niet erg – ik word in het water toch wel nat – maar de wind is een probleem.” Zorgvuldig uitgegraven delen van het schip, lagen door de wind meteen weer onder een nieuwe laag zand. ,,Konden we weer helemaal opnieuw beginnen.”

De maritiem archeologen kunnen per persoon ook maar 30 tot 40 minuten onder water blijven. ,,De Rooswijk ligt op 26 meter diepte. ,,Dat is verdomd diep. Je krijgt daar 4x zoveel druk op je lichaam dan op de wal. Dat levert gevaar op als je te lang onder water blijft.”

Quote

Als we bij de Rooswijk komen, voelen we ons alsof we drie martini’s achterover hebben geslagen. Dat is een uitdaging

Martini-regel

Onder water denk je ook nog eens langzamer. Dat komt door de ‘martini-regel’: iedere 10 meter diepte is het equivalent van één van die cocktails – op een nuchtere maag. ,,Als we bij de Rooswijk komen, voelen we ons alsof we drie martini’s achterover hebben geslagen. Dat is een uitdaging.”

Door al die factoren ging de operatie niet zo vlot als was gepland. Omdat er daarom nog geld over is van de 2 miljoen die het kabinet in het project stak, kan Manders deze zomer nog twee maanden met zijn team duiken naar de Rooswijk.

Dan hoopt hij ook antwoord te kunnen geven op de vraag waarom het schip verging. ,,Onze theorie is dat het schip tegen een zandbank is aangelopen. We dachten dat te kunnen zien aan het achterschip, dat we hebben opgegraven, maar dat bleek uit elkaar geslagen hout. ‘Verdorie, waar ligt het echte schip nou?’, dacht ik toen. Dat vonden we pas nét voordat we vorig jaar moesten stoppen. Dáár gaan we straks meteen verder graven.”

Volledig scherm
Deze zomer gaan de opgravingen weer door. © Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed