Volledig scherm
Pam besloot een weekje vrijwilligerswerk next level te doen op Lesbos © Isis Torensma

Een weekje Lesbos om vluchtelingen te helpen

Waarom ze precies vluchtelingen wilde helpen, daar was Pam van der Veen niet over uit. Toch besloot ze tot een week vrijwilligerswerk next level.

Quote

In mijn hoofd was een zaadje geplant, dat werd gevoed door berichten over baby's in nepzwemves­ten, de invallende winter en miserabele vluchtelin­gen­kam­pen

Pam van der Veen

Al maanden had ik last van vluchtelingen. Althans, ik had last van de beelden die ik dagelijks in de media zag. Lekke bootjes op de Egeïsche Zee, verdronken kinderen, gezinnen gestrand in de modder. Ik had er buikpijn van, voelde me machteloos en wilde iets doen. Iéts, wat dan ook. En dus zette ik mijn eerste voorzichtige schreden op het vrijwilligerspad.

Opeens stond ik kleding te sorteren voor een vluchtelingenproject. Begeleidde ik een groep Syrische mannen naar hun taalles in de bibliotheek. Voor een beginneling als ik waren dat haalbare taakjes. Maar de buikpijn bleef, evenals de berichten op journaals, in kranten en op sociale media. Verhalen van mensen die naar de Macedonische grens reisden om noodhulp te verlenen. Die tenten opzetten in de blubber van Calais. Of die op Lesbos hielpen met het binnenhalen van bootjes.

Next level
Vrijwilligerswerk next level, dat was duidelijk. Daar stak ik maar schril bij af met m'n kleding-inzameling. Maar maakt dat iets uit, vroeg ik mezelf streng. Is vrijwilligerswerk iets dat je kunt ranken? En scoort hulp in het crisisgebied hoger dan soep koken in de Nederlandse noodopvang? Spannender was het in elk geval wel, concludeerde ik. Avontuurlijker, dat sowieso. En mediagenieker, ook dat moest ik eerlijk toegeven.

In mijn hoofd was een zaadje geplant, dat werd gevoed door berichten over baby's in nepzwemvesten, de invallende winter en miserabele vluchtelingenkampen. Maar ook door het idee dat ik iets heldhaftigs zou kunnen doen. Misschien wel voor het eerst in mijn leven. En toen vroeg een vriendin me mee te gaan met haar team naar Lesbos. Voor de stichting Because We Carry zouden we babydraagzakken, maaltijden en fruit uitdelen bij registratiekamp Moria. Ik hoefde er niet lang over na te denken.

Betrapt
'Ah, adventure tourism!' zei een kennis die hoorde dat ik zou gaan. Ik voelde me betrapt. Had ze gelijk? Ging ik me schuldig maken aan een vorm van voluntourism, waarbij mijn ervaring als vrijwilliger zwaarder woog dan de behoefte waarin ik voorzag? Ik legde mijn ego het vuur na aan de schenen: waarom wilde ik gaan? Uit altruïsme? Schuldgevoel? Nieuwsgierigheid? Om dapper te worden gevonden? Reageerde ik te hysterisch op het vluchtelingenleed? Of was ik gewoon weer eens toe aan iets nieuws?

Ik kwam er niet uit. Maar ik ging toch. Vrijwilligerstoerist of niet, het resultaat was hetzelfde: ik ging waar nodig de handen uit de mouwen steken. Bovendien, ik had een fors bedrag ingezameld om mee te nemen naar Lesbos, net als de rest van mijn team. De wetenschap dat hun geld rechtstreeks op de plaats van bestemming zou aankomen, had veel mensen gul doen geven. Voor 1000 euro per dag konden we duizend maaltijden verstrekken, en alleen al dankzij mijn donateurs konden we vijf dagen voort.

Volledig scherm
© Isis Torensma
Quote

Wat ze nog te wachten staat aan de Macedoni­sche grens, op hun tocht door de Balkan of in het gedroomde land van bestemming zelf - ik durf het ze niet te vertellen

Pam van der Veen

Daarbij waren we in goed gezelschap: in en rond onze week op Lesbos werd het eiland bezocht door een stoet geëngageerde celebs, van Guus Meeuwis en Javier Guzman tot Susan Sarandon en Vanessa Redgrave. De Chinese kunstenaar Ai Wei Wei had net een kunstwerk gemaakt van de tienduizenden zwemvesten op het eiland, en Johnny de Mol was bezig met het opzetten van een luchtbrug voor vrijwilligers.

Afghan Hill
Wat onwennig sta ik de eerste dag bij de food-tent op kamp Moria, mijn werkterrein voor de komende week. Mensen wachten in de rij op de lunch van Because We Carry: rijst met groente en een gekookt ei. Het zijn Iraniërs, Irakezen, Ivorianen, Pakistanen, Eritreeërs en vooral Afghanen. Geen Syriërs, want die hebben als officieel erkende oorlogsvluchtelingen toegang tot het UNHCR-kamp. De heuvel waarop 'ons' kamp staat, een door vrijwilligersorganisaties opgetrokken nederzetting in een olijfboomgaard, staat dan ook bekend als de Afghan Hill.

Zonder vrijwilligers was hier niets, geen tenten, geen wc's, geen drinkwater, geen medische hulp, geen afvalbakken, geen kleding- en voedseluitgifte. Zo was het nog maar een paar maanden geleden, toen de mensen hier ook al met duizenden tegelijk arriveerden. Een luxe camping is het nog steeds niet, maar veel basisvoorzieningen zijn er.

Clown
Op het volledig platgetreden terrein is zelfs een geïmproviseerde speeltuin. Met clown. Tussen de oude olijfbomen, stuk voor stuk kapotgetrokken voor brandhout, maakt hij een groepje kleumende kleuters aan het lachen. Mijn teamgenoot Isis kijkt het een tijdje aan. ,,Ik geloof niet in clowns,'' zegt ze, ,,maar in dit geval maak ik een uitzondering.''

Dan verschijnt een lijkbleke jongen in de food-tent. Trillend vertelt hij over zijn zus, een dag eerder aangekomen op Lesbos. In een bootje zó volgestouwd met mensen, dat ze onderweg half was doodgedrukt. Inwendige bloedingen, constateerde de arts in het ziekenhuis. De jongen kreeg zojuist bericht: zijn zus is overleden. Een vrijwilligster zet hem op een stoel, haalt thee en slaat een arm om hem heen.

Het is een afschuwelijk, maar bekend verhaal: mensensmokkelaars laten zich fors betalen voor een 'veilige' overtocht, maar proppen zo vijftig vluchtelingen in een boot voor maximaal vijftien man. Om erin te passen, moeten de opvarenden hun bagage achterlaten en staand de oversteek maken. Wie weigert, krijgt een pistool op z'n hoofd en wordt gedwongen in te stappen. Dan wordt de boot afgeduwd richting Lesbos, zo'n anderhalf tot twee uur varen van Turkije. Als het meezit met net genoeg benzine om de overkant te halen. Of net niet. In de week dat ik op Lesbos ben, verdrinken er volgens de officiële cijfers minstens 34 mensen.

Volledig scherm
© Isis Torensma

Kabouter Spillebeen
Het begint te regenen. Al snel komt het water met bakken de heuvel af. Het vormt een grote, troosteloze plas aan de voet van de kindertent. Met teamgenoot Femke deel ik kindermutsjes, broekjes, jasjes en luiers uit.

Ik verschoon een baby en trek haar droge kleertjes aan, terwijl ik een liedje zing, Op een grote paddenstoel. Het meisje bekijkt me met grote ogen. Kabouter Spillebeen? Waar heeft die vreemde vrouw het over? Haar moeder ziet het doodmoe aan. Om haar reis wat te verlichten gespt Femke haar een babydraagzak om. Lesbos is immers slechts een tussenstation, na registratie wacht de ferry naar Athene. Tussen twee wolkbreuken door stapt de vrouw de tent uit, samen met haar gezin. ,,Shokran,'' zegt ze. ,,Bedankt.''

Shokran
We zullen dat woord die week nog vaak horen. Als we fruit of regenponcho's uitdelen, potjes babyvoeding opwarmen, luiers uit de bus laden of aan komen zetten met dertig paar nep-Nikes, gekocht bij de plaatselijke schoenwinkel. ,,Shokran.'' De mensen in het kamp zijn vriendelijk, willen met ons op de foto, vragen of Nederland een mooi land is. Vooral op zonnige dagen is de stemming hoopvol: Europa is bereikt, het gevaarlijkste deel van de reis ligt achter hen. 

Wat ze nog te wachten staat aan de Macedonische grens, op hun tocht door de Balkan of in het gedroomde land van bestemming zelf - ik durf het ze niet te vertellen. Al geeft dat me een onbehaaglijk gevoel en maakt het soms ook dat ik twijfel. Wat heeft dat paar droge schoenen voor zin als je kijkt naar het grote plaatje? De bananen die ik uitdeel, welk verschil gaan die maken? Op zulke momenten kan ik de druppel op de gloeiende plaat horen sissen.

Bang
Op andere momenten stel ik me voor dat ik hier zelf voet aan wal zet. Nat, koud en bang na een helse tocht, zonder bezittingen, zonder onderdak, met mijn dochter van 5 aan de hand. Iemand die mij ziet staan, die aardig is voor mijn kind en ons een stapje vooruit helpt, zou dan als geroepen komen. Die iemand probeer ik dus te zijn, al is het maar voor een paar mensen.

Dat is niet altijd even eenvoudig. Vooral in de kledingtent, waar ik vrouwen help aan gedoneerde droge spullen, raak ik soms in de knel met mijn ambitie. Als ik voor de zesde keer een jas terugkrijg wegens niet de juiste kleur, bijvoorbeeld. ,,This is not a shop!" bijt ik het wispelturige meisje toe, waarop zij me niet-begrijpend aankijkt. 

Volledig scherm
© Isis Torensma
Quote

Het water inrennen, een kind aanpakken en in warmtefo­lie wikkelen, hoe heroïsch wil je het hebben?

Pam van der Veen

Part of the deal
Pas later hoor ik dat mensensmokkelaars niet alleen de overtocht in rekening brengen, maar zogenaamd ook het voedsel, verblijf en kleding 'aan de overkant'. Aha. Logisch dat je vraagt om een zwarte jas als je denkt dat je ervoor hebt betaald. En die blonde vrouw die achter jou de troep staat op te ruimen, zal dan ook wel part of the deal zijn. Dat ik hier als vrijwilliger ben, weten veel vluchtelingen waarschijnlijk niet.

Maar wil ik dat ze dat weten? En zo ja, waarom? Als ik voedsel uitdeel of vieze natte kleren sorteer, wil ik daar dan iets voor terug? Wat dan? Dankbaarheid? Is hier nu, ondanks lang beraad met mijn ego, toch nog het d-woord gevallen? Verwarrende vragen die ik mezelf stel terwijl ik een loodzware vuilniszak wegsleep. Net als ik me meer voetveeg dan vrijwilliger voel, rent een Afghaanse man naar me toe om de zak over te nemen. Lachend steekt hij twee vingers op: peace! Ik gebaar naar de food-tent. ,,See you later, at lunch!"

Op patrouille
De maaltijden die Because We Carry verstrekt worden gemaakt in het lokale restaurantje van Nikos en Katarina. De vaste clientèle helpt bij het pellen van de duizend eieren per dag. Het Griekse echtpaar staat altijd klaar voor de wekelijks wisselende BWC-teams. In zijn auto neemt Nikos ons mee naar de kust, naar de plek waar hij een jaar geleden voor het eerst een bootje zag landen. Erin zat een 10-jarig jongetje, zonder ouders, doorweekt. Sindsdien 'patrouilleert' Nikos hier elke avond, een zak droge kleren achterin.Terwijl we in het donker het strand oprijden, draait hij zijn raampje omlaag. ,,Listen," zegt hij, ,,je hoort ze vaak voor je ze ziet. People screaming." 

Het is een heldere nacht, windstil en ijzig koud. Ik stel me voor hoe het moet zijn, met vijftig bange mensen in een opblaasboot, dobberend op zee. Tegelijkertijd voel ik me schuldig. Wat doe ik hier, waar wacht ik op? Er staan genoeg reddingswerkers langs de kust, wat voeg ik daaraan toe? Wil ik per se zo'n bootje zien landen? Het heeft iets weg van een toeristische attractie, denk ik beschaamd. Alsof je Lesbos pas hebt gezien als je een vluchtelingenbootje hebt binnengehaald. 

Heroïsch
Niet voor niets is het strand de plek waar zich de meeste vrijwilligers bevinden. Het water inrennen, een kind aanpakken en in warmtefolie wikkelen, hoe heroïsch wil je het hebben?

Voor al die scepsis is geen tijd meer als kort na elkaar drie stampvolle boten aanmeren. In de chaos die dan volgt, sta ik opeens zelf met mijn schoenen in zee en een klein meisje in mijn armen. Mensen roepen, huilen, zoeken elkaar, vrijwilligers hangen dekens om schouders, een vrouw stort in, artsen snellen toe. Met het kind sta ik te wachten tot haar ouders zich melden. Waar blijven ze toch? Het meisje is gelukkig niet angstig, eerder stomverbaasd. Moe is ze ook: ze gaapt. Dan duikt er een vrouw voor ons op, ze wijst op zichzelf en zegt 'mama!'. 

Even laat ze haar gesluierde hoofd op mijn schouder rusten, neemt dan haar dochter van me over. ,,Shokran.'' Ik kniel neer naast een bibberend jongetje en trek mijn handschoenen uit. Terwijl ik zijn ijskoude vingertjes erin wurm, probeer ik geruststellend te klinken. ,,Kijk, swipevingers," hoor ik mezelf zeggen. ,,Met deze handschoenen kun je gewoon je smartphone bedienen!" Het ventje glimlacht welwillend.

Zelfde film
Nikos slaat de ontreddering gade. ,,Zo gaat het altijd," zegt hij hoofdschuddend. ,,Same movie every night." Honderden, duizenden vluchtelingen heeft hij al zien komen, en het einde is nog lang niet in zicht. Hij maakt zich zorgen over de barre omstandigheden waaronder ze de oversteek maken, maar ook over zijn eiland dat door de niet aflatende stroom steeds minder toeristen trekt. Hoeveel maaltijden moet zijn Katarina nog koken, hoeveel eieren zullen ze nog pellen? Hoeveel vrijwilligers trekken er nog aan hun taverna voorbij? En hoeveel doden zullen ze nog zien aanspoelen op hun prachtige kust?

Zelf vlieg ik straks terug, naar mijn eigen huis, waar mijn kinderen veilig zijn, mijn man een glas witte wijn voor me inschenkt en we stress hebben over haperende wifi of scheuren in de gietvloer. Vrienden en bekenden gaan vragen hoe het was, daar in het crisisgebied. Informeren bezorgd of ik het allemaal wel aankon. Ik kan ze geruststellen: ik kon het aan. Sterker nog, ik zou zo teruggaan. Uit altruïsme. Schuldgevoel. Nieuws- gierigheid. Om dapper te worden gevonden. En gewoon, om bananen en sokjes uit te delen.

Volledig scherm
© Isis Torensma