Volledig scherm
PREMIUM
Het RID aan de Parkweg in 1978. © Leo van der Velde

De geheimen van het waterinstituut

Lieve Rachel‘Als we over het Voorhout lopen ben je niet weg te slaan bij de monumentale pomp die daar tegenover nummer 33 staat. Ik moet ook niet zeggen dat die pomp uit 1715 dateert en dat daar sinds vorig jaar weer drinkwater uitkomt. Als een bezetene ruk je aan de zwengel, maar er komt geen druppel uit omdat het ding alleen maar in de zomermaanden werkt.’ Zo begint Leo van der Velde zijn wekelijkse brief aan kleindochter Rachel (6).

Mijn toevoeging dat die zwengel een geschenk aan Den Haag van het jubilerende Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening is geweest, boeit je niet. In de auto onderweg naar 'het strand', zoals jij heel Scheveningen noemt, schiet ik weer in de lach als je roept, dat je wilde dat je vader Jezus was. Waarom? ,,Dan was m'n vader rijk." Ik zeg, dat ik heb gelezen dat Jezus helemaal niet rijk was. Waarom moet je pa rijk zijn? ,,Dan kan hij alle speelgoed voor mij en m'n zusje kopen." Ach, jullie hebben al zoveel. ,,Dat is waar. Hoe lang duurt het nog naar het strand? Tien minuten? Is dat lang?”

Op de Parkweg wijs ik naar de villa op nummer 13 en vertel dat tot 1978 daar dat waterinstituut, van die zwengel, zat. Ook dat ik daar nog heb gewerkt. Met dank aan je oma, die wilde dat ik in 1966 meteen mijn zeemansleven opgaf toen ze mijn plakboek met vriendinnetjes in buitenlandse havens had gezien. Ze bracht me op haar Mobylette naar de sollicitatie en wachtte buiten. De overgang van mijn vrije leven naar een kantoorbaan stond me zo tegen dat ik, na het gesprek, bij mijn vertrek dwars door de glazen voordeur liep. Je oma kwam meteen voorrijden en ik sprong achterop, hopend nooit meer iets van ze te horen.

In samenwerking met indebuurt Den Haag

Den Haag