Kees van Kooten krijgt in 1999 in het toenamilige Volksbuurtmuseum het eerste exemplaar van het boek Morgen Gratis Koffie van Jan en Frans de Leef. Rechts uitgever Dick van der Toorn.
Volledig scherm
PREMIUM
Kees van Kooten krijgt in 1999 in het toenamilige Volksbuurtmuseum het eerste exemplaar van het boek Morgen Gratis Koffie van Jan en Frans de Leef. Rechts uitgever Dick van der Toorn. © Jos van Leeuwen

Met zwikken bij bakkie pleuâh verloor ik het geld dat ik nog moest verdienen

Je weet dat ik een liefhebber ben van zwarte koffie. Als we stoppen tijdens onze slenteringen, zoals jij de wandelingen door de stad noemt, mag je voor mij koffie en voor jezelf chocomel bestellen. Dat kan in bodega De Posthoorn zijn, of Koffiehuis De Laak. Door het coronavirus moeten we die omzwervingen voorlopig uitstellen. Maar wat in het vat zit, verzuurt niet; als ik iets beloof, dan kom ik dat na. 

Onderweg heb ik je koffiehuizen aangewezen en verteld dat ik daar al in de jaren zestig kwam. Ook in de koffietent op het Oranjeplein, die niet meer bestaat. Een bakkie pleuâh, zoals ze in Den Haag zeggen, kostte toen 15 cent. Daar zaten vooral buurtbewoners en soms ook vrachtwagenchauffeurs omdat die makkelijk rondom het plein konden parkeren. Tussen de middag zag je daar ook meisjes van de Vierde Christelijke Huishoudschool in de Fannius Scholtenstraat. Sommige jongedames hadden eerst bij de sigarenboer voor vijf cent één sigaret gekocht. In die gekke tijd werd er nog overal gerookt. De leerlingen mochten daar ook hun boterhammen van thuis opeten. Een vertegenwoordiger in nylonkousen, die in de tijd van de baas aan winkels de panty P verkocht, bestelde soms een broodje bal. 

In samenwerking met indebuurt Den Haag

Den Haag