Volledig scherm
Alexander Pechtold tijdens zijn speech © EPA

Dit is de hele afscheidsspeech van Alexander Pechtold

D66-leider Alexander Pechtold stapte vandaag op als fractievoorzitter van D66. Hij kondigde zijn afscheid aan in een speech op het najaarscongres van de partij. De integrale tekst van de speech is hieronder te lezen.

Congres,

Bijna 12,5 jaar geleden kozen jullie mij voor de eerste keer tot lijsttrekker. Het was op ons congres in Den Haag. Dáár begon het. Dáár begon het avontuur. Dáár stapte ik het podium op. En vandaag, vandaag eindigt het. Hier op ons congres in Den Bosch stap ik het podium af. Ik heb zojuist de Kamervoorzitter laten weten dat ik dinsdag afscheid neem van de Tweede Kamer. Diezelfde dag kiest onze fractie een nieuwe voorzitter. Het is tijd voor een nieuwe generatie.

Het juiste moment om afscheid te nemen van de politiek bestaat niet. Twitteraars, reaguurders en andere gezelligerds, ze zullen ongetwijfeld denken – én gaan schrijven – dat recente publicaties mij tot dit besluit hebben gebracht. Ik moet ze teleurstellen. Dierbaar is mijn herinnering aan het moment in maart dat ik met mijn kinderen besprak dat ik dit najaar zou stoppen. Het was tijdens het eten. Mijn dochter en zoon, beide puberende tieners, keken me opgelucht aan. “Goed zo pap, dan ben je mooi wat vaker thuis.” Waarna meteen ook de bezorgdheid toesloeg: “Ga je ons huiswerk dan ook doordeweeks overhoren?”

Mijn kinderen vroegen ook: waarom nu? Een vraag die ik de afgelopen weken vaker kreeg. Een logische vraag. Na de verkiezingen van 2017 had ik één duidelijk doel. Mijn einddoel: D66 in het kabinet brengen. Vele jaren constructieve oppositie hadden mij gesterkt in het idee: we kunnen het aan. De partij was hongerig om de idealen te verwezenlijken. Regeringsdeelname was dus partijbelang. Is partijbelang. En is ook – zo bleek in de lange formatie – landsbelang. We waren er klaar voor. We wisten wat we wilden bereiken. En we hadden uitstekende mensen voor deze klus.

We zijn een jaar verder. Onze bewindspersonen drukken hun stempel. Onze ideeën vinden hun weg naar de samenleving. Onze fractie van negentien is goed uit de startblokken gekomen. Want ook dat heeft tijd nodig. Een grotere, vernieuwde fractie van negentien moet z’n weg vinden. Heeft z’n weg gevonden. En is nu klaar voor een nieuwe fase. Na 12,5 jaar maak ik als partijleider de balans op en concludeer ik: ik heb alles gegeven, we hebben er alles uitgehaald, het is tijd voor nieuw leiderschap.

Partijvrienden, het juiste moment om weg te gaan mag dan niet bestaan. De juiste plek wel. En dat is voor mij niet het Haagse Nieuwspoort of een Haags café. Ik wil hier de aankondiging doen. Bij de mensen die me in staat hebben gesteld deze functie te mogen uitoefenen. Bij jullie. En met jullie. De leden van D66. Oh zeker, we waren het lang niet altijd met elkaar eens. Jullie hebben mij ongetwijfeld vaak vervloekt. En dat was ook wel wederzijds. Ik heb jullie moties gevreesd. En gewenst dat de congresvoorzitter een al te stevige inbreng bij pak ‘m beet microfoon 5 zou afkappen. Maar ik weet ook dat we met elkaar de levendige debatten hebben gekoesterd. En de open sfeer die onze partij zo kenmerkt. Vandaag was daar weer een treffend voorbeeld van. Voor een fractievoorzitter, een bewindspersoon, de voorzitter van de Jonge Democraten of onze Europese delegatieleider, voor iedereen op dit podium geldt: steun van het congres komt niet vanzelf. Steun moet je verdienen met wat je zegt én wat je daarvan waarmaakt. En zo hoort het ook.

Congres, toen we de campagne in 2006 aftrapten in mijn achtertuin in Wageningen, stonden we er niet florissant voor. In hoge mate door eigen toedoen. 12 jaren van verkiezingsnederlagen hadden hun tol geëist. Weggeschreven door de media. Weggehoond door het publiek. Weggestemd door de kiezers. Ik was geen minister meer. En nog geen Kamerlid. Ik had niet eens een vaste werkplek. Met Bert Bakker, toen onze campagneleider, zaten we in een klein hok op het partijbureau. Pijnlijk memorabel was die ochtend dat Bert me toefluisterde: “Alexander, zelfs de haatmail is gestopt.”

Van de grond af hebben we onze partij weer opgebouwd. Met een basis van loyale partijgenoten. Door het hele land. Mensen als Rineke Gieske uit Almelo. Ruud Hoemakers met zijn altijd weer aardige mailtjes. Peter én Wim van Gool in Brabant. Marjan Brouwers uit Groningen. Paul Wessels in Gennep. Zij hielden afdelingen in leven. Traden mensen op straat met onvermoeibaar enthousiasme tegemoet. Wisten zaaltjes toch nog halfgevuld te krijgen voor een politiek café. Ik weet nog dat ik over een verlaten Zeeuwse snelweg naar Middelburg reed. Op een kleine rode auto ontwaarde ik een D66-sticker. Ik werd er zo blij van. ‘Er zijn toch nog mensen, kiezers, die trots durven zijn op D66’, dacht ik. Toen we de auto voorbijreden, bleek het Ria Geluk te zijn, de afdelingsvoorzitter. Op weg naar dezelfde bijeenkomst.

Onze inhoudelijke wederopstanding kreeg vorm buiten Nederland, in Gent. Met partijvoorzitter Ingrid van Engelshoven en Gerard Schouw, toen fractievoorzitter in de Eerste Kamer, trokken we ons in 2009 een weekend terug. Een driemans-tandem aan de wandel. Aan de wijn. En aan de whisky. Maar vooral: praten. Discussiëren. Argumenteren. Waartoe zijn wij op aard? Wat is ons DNA? Wat is nodig om opnieuw onderscheidend te worden? Langzaam kropen we uit het dal. Ledenaantallen stegen. Peilingen ook. Soms tot zulke grote hoogten dat we als de dood waren dat ze op korte termijn waar zouden worden.

Twee jaar later, inmiddels tien zetels, was ons verhaal weer op orde. Hervormen. Werken aan de toekomst. Aanpakken wat anderen niet durfden. Niet om de hete brij heen, maar recht erop af. Van het onderwijs tot de arbeidsmarkt. Van de huizen tot de pensioenen. Niet populair. Wel noodzakelijk. Op een avond stond ik op het balkon van onze fractie met Wouter Koolmees. We keken elkaar aan en zeiden: als we dit alles waarmaken, maar het zou ons de partij kosten, is dat het dan waard? Zonder aarzeling zei Wouter: “Absoluut.”

Maar toch, als mensen me zouden vragen wat voor mij onze comeback symboliseert, zou ik dat allemaal niet noemen. Voor mij persoonlijk was dat iets heel anders. Een mooie nazomeravond in september 2010. Het Groningse Oldambt verwelkomde zijn nieuwe burgemeester: onze eigen Pieter Smit. We leverden eindelijk weer een burgemeester buiten de Randstad. Voor mij de bevestiging dat de partij weer op de weg terug was. In april van dit jaar maakte ik de rit naar Oldambt weer. Maar nu voor de begrafenis van Pieter zomaar uit het leven weggerukt. Ik heb hem daar geëerd voor wat hij voor mij was: niet zomaar een burgemeester, maar voor mij het symbool van de wederopstanding van D66.

Congres, ik heb de afgelopen 12 jaar de erfenis van markante D66’ers verder mogen brengen. Hans van Mierlo, Jan Terlouw, Els Borst, Thom de Graaf. Wat heb ik veel van hen geleerd. Van Mierlo, die je altijd aan het denken zette. Niet oordeelde, maar een spiegel voor hield. Als ik ‘m weer eens belde na afloop van een televisieoptreden, vroeg ie steevast: “Jongen, wat vond je er zelf van?” Een rol die Els moeiteloos overnam na de dood van Hans.

“De vader van de partij is er niet meer”, zei ze. “Dan neem ik het maar over. Als moeder van de partij.” We missen haar nog iedere dag. Vermoord na terugkomst van een D66-congres. Aan de vooravond van misschien wel onze grootste overwinning van de laatste tien jaar: de Gemeenteraadsverkiezingen in 2014. Onder leiding van Jan Paternotte de grootste in Amsterdam, de stad waar het allemaal begon. De erfenis van Els is in goede handen. Bij Pia, ons medisch-ethische kompas. En bij Annelien, onze nieuwe lijsttrekker voor de Eerste Kamer. Met Jan Terlouw en Thom de Graaf hebben we gelukkig nog twee klankborden van klasse. De een als groen geweten. De ander als staatkundig raadsman.

Ik ben dankbaar voor waar de partij nu staat. We hebben een unieke plaats verworven. Natuurlijk, het gaat even wat minder met de kiezersgunst. Daar sluit ik de ogen niet voor. Maar dat hebben we eerder meegemaakt. Dat brengt ons niet in verwarring. Ik ben ervan overtuigd dat mensen weer gaan zien dat bij de verkiezingen een stem op ons een waardevolle stem is. Want vergeet niet wat we zijn. Een stabiele middenpartij. Regeringspartij. De grootste liberale ledenpartij. De grootste progressieve partij van Nederland.

Partijvrienden, we gingen van bijna nul naar negentien. Dat was geen rechte lijn omhoog. Dat was vallen en opstaan. Maar door jullie vertrouwen, jullie permanente vertrouwen – ook als het even tegen zat – konden we blijven bouwen. Ik gun mijn opvolgers diezelfde basis van vertrouwen. Zij hebben jullie steun hard nodig. Jullie kritisch meedenken. Maar zeker ook jullie incasseringsvermogen. Er staan de politiek grote opgaven te wachten. Een decennium van keuzes. Voor of tegen de omslag naar schone energie? Voor of tegen humane vluchtelingenopvang? Voor of tegen Europa? Fundamentele keuzes. Daar hebben we iedereen in het progressief-liberale centrum voor nodig. De komende jaren is D66 harder nodig dan ooit. Ik heb waardering voor de leden met het lef om vastgelopen denken te doorbreken. Het lef om niet door te modderen. Het lef om te zeggen: ‘zo dus niet’. Ik heb het over het raadgevend referendum. Zie hoe dat is opgepakt onder leiding van Rob Jetten. De paden op, de lanen in. Door het hele land. Met een hele nieuwe agenda. Voor de Democratie van Nu. Dat is voor mij D66!

Congres, in de politiek, in onze democratie, krijg je nooit 100%. Nooit alles wat je wilt. Niet binnen je partij. En al helemaal niet in een Tweede Kamer met dertien fracties. We zijn allemaal minderheden. Families van christenen, liberalen of socialisten, ze zullen altijd kleiner zijn dan 76 zetels. De schoonheid van onze democratie zit voor mij dan ook niet in het eigen verkiezingsprogramma, maar in het compromis. In het samenwerken vanuit het brede midden. Al teveel partijen verdringen elkaar roeptoeterend op het kerkhof van het eigen gelijk. Daar heb ik me nooit thuis gevoeld. Wij zijn geprezen om onze ‘constructieve oppositie’. Omdat wij geloven dat Nederland alleen vooruitkomt als we samenwerken. Gedreven door eigen idealen, ideologie of geloof. Maar altijd met oog voor de ander. Met oog voor de samenleving als geheel.

Kinderen leren op school dat de verzuiling niet meer bestaat. Dat dat een relikwie is uit de tijd dat D66 nog niet eens bestond. Maar als we niet oppassen ontstaat een nieuwe verzuiling. De verzuiling van het eigen gelijk. Minder overzichtelijk, niet minder gevaarlijk. Tot in de jaren ‘60 werkten de toppen van de zuilen nog met elkaar samen. Ze stutten het beschermend dak van de samenleving. In het belang van het land. Maar deze nieuwe zuilen staan eenzaam in de gure wind. Verder van elkaar dan ooit. Ze dragen niks. En ze dragen niks bij. Zelfgekozen gelijkgestemden omringen zich met elkaar. Soms zelfs zonder dat ze het in de gaten hebben.

Op Twitter, Facebook en andere social media wordt alles afgestemd op jouw persoonlijke voorkeur. Op jouw wensen. Op jouw profiel. Vroeger ging je naar de boekwinkel voor één specifiek boek. Maar liep je naar buiten met drie totaal andere exemplaren. Je liet je verrassen. Ontdekte nieuwe werelden. Nu ga ik naar bol.com en krijg ik bijna oogkleppen op tijdens mijn zoektocht. Hooguit zie ik op het einde nog, wat anderen ook hebben besteld. Begrijp me goed, ik heb niets tegen bol.com. Of Netflix. Of Google. En al die andere mediabedrijven die met je mee denken. Vóór je denken. Maar ik zou wel willen zeggen: blijf door de boekhandel dwalen. Blijf nieuwsgierig.

In een wereld waar feit, fakenews en mening dwars door elkaar lopen, voelt de eigen cocon zo veilig. Overzichtelijk. En wordt dus de eigen mening steeds meer feit. Gaan we harder schreeuwen. Ongenuanceerder. Onbeschaafder. Je ziet het aan de talkshowtafels. Waar extremen een vaste plek hebben gekregen. De kramp van de nieuwe politieke correctheid. Toen ik in 2006 als lijsttrekker begon, trof ik het extreme, het onbeschaafd geschreeuw en gediscrimineer, meteen tegenover me in de debatten. In 2010 werd het zelfs even onderdeel van de macht. Dat zien het ook in andere landen. In Italië, waar de migrant is ontmenselijkt. In Hongarije, waar de vrijheid van het individu op het spel staat. In de Verenigde Staten, natuurlijk, waar de onafhankelijke pen tot vijand is verklaard. In het Verenigd Koninkrijk, waar Britse politici zich gedragen als Britse toeristen.

Met iedere vezel in mijn lijf heb ik mij daartegen verzet. En nog. Omdat ik niet wil dat door politiek stilzwijgen de intolerantie geleidelijk aan normaal wordt gevonden. Als er iets is dat ik jullie op het hart wil drukken, dan is dat het. Blijf waakzaam als anderen zich in slaap laten sussen. Blijf de openheid verdedigen waar anderen de geslotenheid omarmen. Blijf opstaan tegen het venijnig populisme, tegen onverdraagzaamheid. Ik heb met hart en ziel gewerkt aan een waardig alternatief. Tegen onrecht en onzin. Voor recht en redelijkheid. Vanuit de overtuiging dat de overgrote meerderheid van Nederland zich helemaal niet herkent in geschreeuw vanaf de zijlijn. Wij zijn geen land van extremen. Wij zijn het land van de nuance. Van de redelijkheid. Op Twitter heb je tegenwoordig 280 tekens in plaats van 140. Laat dat voor ons allen een aanmoediging zijn om weer eens een komma te durven zetten, voordat we tot een punt komen.

Vrienden, wat mogen jullie na vandaag van mij verwachten? Jullie mogen me mailen. Jullie mogen me bellen. Jullie mogen zelfs aanbellen. Met andere woorden: volledige betrokkenheid. Natuurlijk. En wees niet bang. Geen ijdeltuiterij in de media. Geen goedbedoeld geouwehoer van mij aan talkshowtafels. Geen kritische column-pjes. Ik heb nul ambitie om door het leven te gaan als het Orakel van Wageningen. Ik heb dat ook gewaardeerd in mijn voorgangers. Je loopt je opvolger niet voor de voeten. Deze oekaze leg ik ook mezelf op. Want ik realiseer me heel goed: partijleider zijn is een grote verantwoordelijkheid. Maar oud-partijleider zijn vraagt misschien nog wel meer van je. Een nieuwe generatie is aan zet. En moet alle ruimte krijgen. Ik heb het volste vertrouwen in de vele talenten en toppolitici die onze partij nu heeft. Ik zie zeer uit naar hoe zij een nieuw hoofdstuk zullen schrijven in onze ruim 50-jarige geschiedenis.

Partijgenoten, ik ben dankbaar voor het vertrouwen dat jullie al die jaren in mij hebben gesteld. Dankbaar voor de fractiegenoten met wie ik al die jaren een hechte club vormde. Eerst met drie, daarna tien, twaalf en toen negentien! En dankbaar voor de mensen die al die jaren op de achtergrond hebben gezorgd dat ik op de voorgrond kon functioneren. Ik permiteer me op deze plek enkelen van hen met naam te noemen. Zij kozen voor de coulissen, maar verdienen vandaag de schijnwerpers. Roy en Daan. De mannen van het woord. Gesproken. Geschreven. En vaak gefluisterd. Elise en Felix. Met wie ik de eindsprint heb ingezet. En Carla Pauw. Natuurlijk Carla Pauw. Politiek kompas. Door dik en dun. Vanaf het eerste uur. Het állereerste uur. De vrouw die ooit tegen Van Mierlo zei: “Die jonge wethouder uit Leiden, die Pechtold, die moet je misschien in de gaten houden.” En als laatste en meest belangrijke: zij die er niet voor betaald kregen. Maar wel de rekening kregen. Mijn kinderen Elske en Jacco. Froukje. En mijn familie. Een thuisfront om trots op te zijn. Een thuisfront dat ik iedere politicus toewens.

Vandaag stap ik van het podium. Een tikkeltje weemoedig. De partij in m’n hart. Maar bovenal vastberaden. En nieuwsgierig naar wat morgen brengen zal. Een plan is er nog niet. Zin wel. Zin in een nieuw avontuur.

Het is mooi geweest.

Het ga jullie goed.