Volledig scherm
PREMIUM
Renate Wennemars © Marco de Swart

Geen excuses meer

ColumnRenate Wennemars schrijft elke week over wat haar bezighoudt. Ze vervangt Nynke de Jong tijdens haar zwangerschapsverlof.

Quote

Het voelde veilig. En nu, nu ga ik de grote wijde wereld in

Excuses. Ik ben ervan. Wanneer ik iets moet doen waar ik als een berg tegenop zie, lig ik ’s nachts al te bedenken of er geen excuus valt te verzinnen. Waardoor ik er onderuit kan. Iets van overmacht. Dat vind ik ook zo’n mooi woord: overmacht. Je kunt er echt niks aan doen, want je wílde best, maar het almachtige lot bepaalde anders. In gedachten ben ik dan al die sorry-dat-ik-afhaak-mail aan het schrijven. Of hoop ik dat ik met hoge koorts wakker word. Wat natuurlijk nooit gebeurt.

En dus is het doorademen en schouders eronder. Meestal is het angst, waardoor ik iets liever niet doe. Faalangst. Dat hangt dan dagenlang als een natte, stinkende deken om me heen. Zwaar en beklemmend. Ondertussen vraag ik me voortdurend af waarom ik in hemelsnaam heb tóegezegd om die prominent te interviewen/avond te presenteren/dat dagvoorzitterschap aan te nemen.

De helft van de tijd nog voor niks ook, want ik durf niet goed om geld te vragen. Ik ben niet te pruimen. Meestal ren ik de dag van tevoren zelfs nog als een bezetene door de stad, op zoek naar een nieuwe outfit. In plaats van me voor te bereiden. Ondertussen staat mijn hoofd niet stil. Ik maal en ik maal. En ongemerkt bereid ik me voor.

Nu kwam de hoofdredacteur van de Stentor met de vraag of ik mijn columns misschien ook voor het AD én alle andere regionale edities van de Persgroep wilde inzetten. Want de vaste columnist was zwanger. ‘Nee!’, gilde het in mijn hoofd. ‘Eng!’. Mijn moeder, sinds sint-juttemis AD-lezer, ging al iets zeggen waar het woord trots in voorkwam. Toen had ik het helemaal niet meer.

Het is natuurlijk een compliment. Zo moet ik het zien. Een blijk van vertrouwen. Ik vind het doodeng, maar daar gaan we dan. Niet denken aan dat verspreidingsgebied. Dat echt veel groter is dan dat van de Stentor. Want dat is Oost-Nederland. Mijn achtertuin. Die lezers snappen wat ik bedoel wanneer ik iets schrijf over ons dorp in het Vechtdal. Dat het dan gaat over de Overijsselse Vecht en niet de Utrechtse, bijvoorbeeld.

En dat de mensen hier, in het verre oosten, gastvrij zijn, maar niet van het uitbundige soort. Dat je in dit dorp op het platteland best jezelf kunt zijn, maar liefst niet te apart, want apartigheid, dat is meer wat voor mensen uit het westen. De lezer van de Stentor weet ook wat noaberschap betekent. Die dingen. Het voelde veilig. En nu, nu ga ik de grote wijde wereld in. Geen excuses meer.