Hij gebood me om op te staan, me om te draaien en voorover te buigen

Column'Zitten'. Hij wees naar een plastic stoel. 'Fijn dat ik zo laat nog kon komen, meneer'. Hij zweeg. 'Is deze zaak van u?'. 'Ja'. Hij had duidelijk geen behoefte aan een praatje. Ik wel. Hij wroet tussen mijn haarwortels, schraapt over mijn hoofdhuid, dan wil ik op zijn minst even kletsen. Ik word niet ongemakkelijk van stiltes, wel van ongemakkelijke stiltes.

Volledig scherm
© Foto Q-Music

Op internet had ik al wat recensies gelezen, want dat is wat je tegenwoordig doet voordat je iets nieuws probeert. De reacties logen er niet om. 'Hij knipt geen ouwe wijven, zei-ie tegen mijn oma, de klootzak'. 'Meest onbeschofte man die ik ooit ben tegengekomen'. 'Valse relnicht'. Dus besloot ik te gaan. Ik zag het als een uitdaging. En nu zat ik daar ongemakkelijk te wezen. Misschien ging ik wel naar huis met een matje, een permanent en een asymmetrische pony, tegen deze man durf je geen nee te zeggen. Als je überhaupt al iets durfde te zeggen.

De wasbeurt leek een eeuwigheid te duren. Het hete water brandde. Ik zei niets. Hij sleurde mijn hoofd van links naar rechts en snauwde dat ik naar achter moest blijven zitten. Ik mocht plaats nemen in de kappersstoel. Liep een rondje om me heen. Zei dat de onderkant afschuwelijk was. Het leek verdomme wel hooi. Ik moest hard lachen, ook uit ongemakkelijkheid. Hij zei dat er niets te lachen viel. Dus hield ik ermee op. Terwijl hij met rechts de schaar hanteerde, zijn knippen leek willekeurig, wuifde hij met links. Alsof hij een onzichtbare borstel vasthad. Het was bijna ballet.

Hij vloekte. 'Waar is de conditioner. Verdomme. Ik heb 'm net opengemaakt, dus ik weet zeker dat ik 'm heb. Of een klant heeft 'm gejat. Zal ook niet de eerste keer zijn. Oh, hier ligt-ie. Heeft Alfred zeker gedaan. De zak'. 'Is Alfred uw partner?'. 'Nee. Hij werkt hier'. Hij gebood me om op te staan, me om te draaien en voorover te buigen. Ik wilde een grapje maken in de trant van dat zei mijn vrouw ook vannacht. Maar dat durfde ik niet. Hij föhnde. Ik zweeg. Ik moest weer gaan zitten. Hij pakte krulspelden. Ik zei dat ik het waardeerde dat hij de tijd voor me nam. Hij zei dat dat onzin was, sneller werken dan dit kon verdomme niet. 

Ik haat het om naar de kapper te gaan. Ik wacht zeker weer een jaar. Maar verdomme, wat heeft-ie me goed geknipt en het zal me verdomme volgende keer wel lukken om hem aan het lachen te maken. De zak.

Groet, Eva