Volledig scherm

Met Spoetnik-bliepjes begon de nieuwe tijd

Chris van den Berg was een jongeman van 29 bij de radiocommunicatiedienst op het Groningse vliegveld Eelde toen hij op 4 oktober 1957 de bliepjes hoorde die zijn leven zouden veranderen....

Het was een leuke hobby, tot dat moment. Van den Berg luisterde al een paar jaar voor de lol naar de volgstations van Russische raketten en kende hun frequenties. Maar na de Spoetnik werd het serieus. Een Nederlandse veiligheidsdienst haalde hem naar Den Haag en liet hem Russisch leren in Leiden. Decennialang zou hij naar de ruimte blijven luisteren.

Nu, in zijn flatje in Kijkduin, met antennes aan beide zijden, een kamer vol apparatuur en rijen Russische woordenboeken, laat hij horen wat hij allemaal oppikte, in die halve eeuw.

Hij herkende de hartslag van de ruimtehondjes in het ritme van de signalen die naar beneden werden gestuurd. Hij luisterde naar kosmonaut Valeri Bykovski die in 1963 vanuit de ruimte partijleider Chroesjtsjov smeekte om lid te mogen worden van de communistische partij. Hij hoorde hoe de Sovjet-grondstations geen contact kregen met Valentina Teresjkova, de eerste vrouw in de ruimte, omdat die lag te slapen. Hij hoorde in 1967 kosmonaut Vladimir Komarov, voordat die wegens gebrekkige parachutes zou neerstorten op de steppe. Hij luisterde in 1971 naar de drie mannen aan boord van de Sojoez-11, voordat ze zouden stikken in hun landingscapsule.

De interesse van de inlichtingendiensten voor de Sovjetmissies kwam niet uit de lucht vallen. Ruimtevaart is altijd innig verweven geweest met militaire aspiraties.

Van Spoetnik tot het Amerikaanse Apollo-project, van het Global Positioning System tot communicatie- en aardobservatiesatellieten: vaak zat er een militaire drijfveer achter. Dat de projecten ook tot handige civiele toepassingen hebben geleid, is eigenlijk bijzaak. De Tomtom van nu is te danken aan de generaals van toen.

V-2
Die militaire oorsprong ligt gevoelig. De eigenlijke geboortedag van het ruimtevaarttijdperk gedenken we liever niet. Op die dag, woensdag precies 65 jaar geleden, slaagden Duitse ingenieurs er voor het eerst in een raket te lanceren. ‘Dieser dritte Tag von Oktober, 1942, ist der erste einer neuen Ära des Transportes – die von der Raumfahrt’, zei Walter Dornberger, leider van het project, in 1944 op de basis in Peenemünde. Op het moment van zijn toespraak had de met slaven gemaakte V 2-raket al duizenden doden in Engeland en België op zijn geweten.

Deze prestatie leidde al in 1945 een ruimtewedloop in. Amerikanen, Engelsen, Fransen en Russen kamden het ingestorte Derde Rijk uit op zoek naar de nazirakettechnologie en -geleerden. De Amerikanen vonden de hoofdprijs, Wernher von Braun, die hen uiteindelijk naar de maan zou leiden. Maar ook de Russen zetten tientallen Duitse raketexperts aan het werk.

De V-2 zou aan de basis komen te liggen van alle eerste raketten die verschillende landen in de decennia daarna zouden lanceren: de R-7 die de Spoetnik in een baan rond de aarde bracht, de Juno-1 van de Amerikanen, de Diamant van de Fransen en later zelfs de Scud van de Irakezen. ‘Ze hadden allemaal een systeem met vloeibare stuwstoffen, waarmee ze schatplichtig waren aan de V-2’, zegt Rob Hamann, ruimtevaartexpert aan de Technische Universiteit Delft.

De Amerikanen hadden het overigens eerst met een ‘eigen’ ontwerp geprobeerd, de Vanguard. Maar die kwam in december 1957 maar een paar meter los van het lanceerplatform en explodeerde. Daarop vroegen ze of Von Braun, die zich tot dan toe vooral met Amerika’s intercontinentale raketten had beziggehouden, daar eentje van kon aanpassen. Nog geen twee maanden later volgde de succesvolle lancering van de Juno-1 met de eerste Amerikaanse kunstmaan.

Die tot één ontwerp herleidbare oorsprong van de internationale ruimtevaart bewijst dus dat het technisch heel gecompliceerd was om een raket te bouwen – terwijl de theorie van de meertrapsraket al in 1903 keurig was beschreven door de Rus Konstantin Tsjolkovski. Vooral de benodigde snelheid voor een baan om de aarde (bijna 8 kilometer per seconde) was een breekpunt. Dat lukte uiteindelijk toch, door toepassing van de juiste brandstoffen en lichte materialen.

Angst
Het betekent ook dat de angst in met name de Verenigde Staten niet zozeer door de Spoetnik zelf werd veroorzaakt, maar veeleer door de raket die daarachter zat. Wie iets in een baan óm de aarde kon brengen kon ook iets in een baan gericht óp de aarde brengen: de benodigde snelheid is net iets kleiner. Dat klopte: net als de eerste succesvolle Amerikaanse ruimteraket was ook de R-7 van de Russen een opgevoerd intercontinentaal projectiel.

Daarmee was de basis voor de ruimterace gelegd. Voor het grote publiek werd die daarna vooral uitgevochten via tot de verbeelding sprekende stunts. Groot nieuws waren onder meer het eerste dier in een baan om de aarde (Lajka, 1957), de eerste mens (Joeri Gagarin, 1961), de eerste vrouw (Valentina Teresjkova, 1963), de eerste ruimtewandeling (Alexej Leonov, 1965), de eerste mens op de maan (Neil Armstrong, 1969), het eerste ruimtestation (Saljoet-1, 1971), de eerste landing op Mars (Viking 1, 1976), de reizen door het zonnestelsel (Voyager, vanaf 1977), de plaatjes van Hubble (vanaf 1990), de karretjes op Mars (Mars Rovers, vanaf 2004). De Sovjet-Unie deed het meeste bemande pionierswerk – ze verloren alleen de race naar de maan – terwijl de Amerikanen veel publicitair en wetenschappelijk succes hadden met hun verkenningen van het zonnestelsel.

Maar parallel aan deze spectaculaire vorm van ruimtevaart, met beelden van mannetjes op de maan en stroomgeulen op Mars, was er een anonieme tegenhanger ontstaan. In 1965 werd de eerste communicatiesatelliet gelanceerd, in 1978 de eerste GPS-navigatiesatelliet. Ook nu waren het weer militairen die het initiatief namen. Geen van de lanceringen haalde de voorpagina’s. ‘Maar juist deze zouden het dagelijks leven op aarde ingrijpend veranderen’, zegt Hamann.

Duizenden satellieten
Nu bevinden zich duizenden satellieten in een baan rond de aarde. Van kleine meetinstrumenten, zo groot als melkpakken, tot grote spionagesatellieten, zo groot als treinwagons (die overigens van dezelfde fabrikant zijn als de Hubble ruimtetelescoop, maar dan de andere kant op gericht). De camera’s zien details van slechts enkele decimeters, de navigatiesatellieten brengen elke automobilist tot voor de voordeur van zijn bestemming, communicatiesatellieten verzorgen telefoonverkeer en brengen televisie over de hele wereld – tot in dictaturen aan toe.

Er zijn soorten en maten. Geostationaire satellieten, al bedacht door de Sloveen Herman Potocnik in 1928 en uitgewerkt door sciencefictionschrijver Arthur C. Clarke, vliegen op 35.786 kilometer boven de evenaar met precies dezelfde ronddraaisnelheid als de aarde zelf en lijken daardoor stil te hangen. Dat maakt ze bruikbaar voor communicatie van de ene plek op aarde naar de andere: ze zijn als het ware de muur waar een bericht tegenaan kaatst.

Aardobservatiesatellieten zitten veel lager, rond 900 kilometer, en draaien meestal in anderhalf uur hun rondjes. Hun cirkelbaan staat als een hoepel vast ten opzichte van de zon, en de aarde draait als een bal in de hoepel rond. Zo zien deze satellieten elke paar dagen dezelfde plek op aarde. Ze kijken naar de hoogte van de oceanen, naar de dikte van het wolkendek, naar bewegingen van vulkanen, naar ontbossing en luchtkwaliteit.

De navigatiesatellieten van GPS, het Russische Glonass en straks ook het Europese Galileo hangen daartussenin, op zo’n 20 duizend kilometer. Uit de tijd die verstrijkt tussen het moment dat de satelliet een signaal verstuurt en het moment dat dit door een ontvanger wordt opgepikt, valt te berekenen hoe groot de afstand tussen die twee punten is. Doe je dat met een aantal GPS-satellieten, dan volgt daaruit de positie op aarde.

Afdankertjes
Deze vormen van aardse ruimtevaart lijken zich steeds meer te ontworstelen aan hun militaire oorsprong, zegt Hamann. ‘Er is een omslag geweest in de tweede helft van de jaren negentig. De civiele satellieten zijn inmiddels zo goed, dat militairen ze beginnen te gebruiken. Je ziet dat bij dual purpose communicatiesatellieten, maar ook bijvoorbeeld bij aardobservatie. Het Pentagon gebruikt tegenwoordig dezelfde satellieten als Google Earth.’

Alleen voor bepaalde niches houden militairen hun eigen satellieten, zegt Hamann. Zoals voor het afluisteren van telefoon- en dataverkeer. En in een enkel geval gebruiken militairen de afdankertjes van de civiele ruimtevaart: zo is het systeem Iridium voor mobiele telefonie via satellieten commercieel geflopt, en daarna voor een prikkie gekocht door de Amerikaanse luchtmacht voor zijn eigen communicatie.

De privatisering van de ruimtevaart wordt ook op andere plekken zichtbaar. Bemande ruimtevaart was tot een paar jaar terug een staatsmonopolie. Dat monopolie werd in 2004 gebroken door de Amerikaanse vliegtuigbouwer Burt Rutan, wiens SpaceshipOne als eerste particulier gefinancierde toestel naar de rand van de ruimte vloog, op 100 kilometer hoogte. Met ondernemer Richard Branson begon Rutan het bedrijf Virgin Galactic. Hij werkt nu aan een opvolger, die met zes betalende passagiers per keer vanaf 2010 vluchten gaat uitvoeren vanuit de Mojave-woestijn in Californië.

Reisbureau
Daarvoor kun je al boeken, onder meer bij het reisbureau Voyageurs du Monde in Parijs, dat als accredited space agent fungeert. Volgens woordvoerder Eric Tirelli kosten de kaartjes 150 duizend euro (‘Het wordt steeds goedkoper, met die lage dollar’). Hij heeft nog geen kaartjes verkocht. Moederbedrijf Virgin Galactic zegt al ruim honderd klanten te hebben.

Er zijn meer bedrijven in dat gehoopte gat in de markt gesprongen. Er zijn voor zover bekend zeven à acht plannen, meestal gefinancierd door Amerikaanse entrepreneurs uit de nieuwe economie zoals computerspelletjesmaker Richard Garriot en Amazon-oprichter Jeff Bezos.

Maar ook het Europese conglomeraat Astrium EADS onthulde deze zomer plannen voor een raketvliegtuigje naar de ruimte, dat het bedrijf vanaf 2012 aan geïnteresseerde exploitanten wil gaan verkopen.

Heel veel stelt zo’n reis overigens nog niet voor. De ruimtevoertuigen volgen hetzelfde stramien: bijna recht omhoog, motoren uit, dan een vrije val, en na anderhalve minuut gewichtsloosheid gaan de motoren weer aan en vliegt het toestel weer naar zijn basis. Een pisboogje, noemt Hamann zo’n suborbital vlucht. Maar goed: je bent anderhalve minuut gewichtsloos, en ziet de aarde vanuit een heel ander perspectief.

Begint hiermee pas echt de ruimtevaart, zoals de luchtvaart in 1903 begon met particuliere avonturiers? Hamann twijfelt. ‘Toen kon je als een beetje fietsenmaker wel een vliegtuig in elkaar sleutelen. Nu is het beduidend moeilijker, en gevaarlijker. Deze zomer kwamen nog drie mensen om bij een test van een motor van de SpaceShipTwo. Hoe gaat Branson zich straks indekken tegen claims van nabestaanden?’