Tom Stamsnijder
Volledig scherm
Tom Stamsnijder © anp

'Courage, courage? Rot op met je heldenmoed!'

Het verhaal van Parijs-Roubaix was dat van de prachtige zege van Fabian Cancellara en de al even schitterende tranen van de nummer twee, Sep Vanmarcke. Maar ook aan de achterkant van het peloton speelde zich een bijzonder verhaal af. Dat van Tom Stamsnijder (Argos-Shimano), die met een lekke band moederziel alleen over de Noord-Franse steentjes dokkerde. Een monoloog over een doldrieste middag in de Hel.

 
Maar eerst wacht me nog een verrassing. Een meisje op een paard, op het parkoers. Dat beest schrikt van de motor die voor me rijdt en slaat op hol. Ik kan 'm ternauwernood ontwijken.
Tom Stamsnijder
 
De bezemwagen zit inmiddels pal achter me. Ik vraag de chauffeur of hij een nieuw wiel heeft, hij schudt van nee. 'Inladen', zegt-ie. Dat wil ik niet. Nu fiets ik verdomme naar Roubaix ook. Natuurlijk heeft die kerel reservewielen, het is een principekwestie geworden. Twee koppige mannen, maar hij gaat verliezen. Wat een eikel!
Tom Stamsnijder
 
Ik fiets weer, de laatste kasseitjes. Eén dronken toeschouwer geeft me nog een harde klap op mijn kont en dan, bij het dorpje Hem, denk ik de verschrikkingen achter de rug te hebben. Op naar de wielerbaan in Roubaix, waar het hek wel dicht zal zijn. Althans, dat heb ik altijd begrepen: bij het verstrijken van de tijdslimiet gaat het hek dicht.
Tom Stamsnijder
Volledig scherm
© anp
Volledig scherm
© anp
Volledig scherm
© anp
Volledig scherm
© anp
Volledig scherm
© anp

Tom Stamsnijder (27): 'Ik ben voor de wedstrijd een lange tijd ziek geweest, echt ziek. Dus een topprestatie zit er nog niet in. Ik weet vooraf wat mijn taak is in Parijs-Roubaix: in de beginfase de kopmannen zo goed mogelijk bijstaan. Maar als dat werk gedaan is, stap ik niet af. Ik heb zo weinig op de fiets gezeten de laatste weken, ik wil er een goede trainingsrit van maken. Ik kom ook in een mooi groepje terecht voor de laatste 150 kilometer, we knikken naar elkaar en zeggen: We maken er met z'n zessen een mooie middag van.

Als we voor ons uit kijken zien we niks. Achter ons: nog minder. Alle ploegleidersauto's zijn weg, de neutrale materiaalwagens, maar ook de bezemwagen, is niet in zicht. Van een toeschouwer krijgen we een flesje cola, dat delen we keurig met z'n allen. Meer te drinken hebben we niet. Onze bidons hebben we allang leeg gedronken.

Met nog zo'n 25 kilometer te gaan hoor ik: pfffffffffffff. Een lekke band. We hebben een goedje in onze tube dat een gat direct dicht. Maar deze scheur is veel te groot. Ik ben de Sjaak!

Mijn metgezellen fietsen door en ik kijk om me heen, op een Noord-Franse kasseistrook. Genoeg Vlaamse fans die me met hun auto een lift naar Roubaix kunnen geven. Maar ze zijn allemaal zo zat als een aap. Daar stap ik niet bij in de wagen. Dus ik fiets door, met een lekke achterband.

De bezemwagen zit inmiddels pal achter me. Ik vraag de chauffeur of hij een nieuw wiel heeft, hij schudt van nee. 'Inladen', zegt-ie. Dat wil ik niet. Nu fiets ik verdomme naar Roubaix ook. Natuurlijk heeft die kerel reservewielen, het is een principekwestie geworden. Twee koppige mannen, maar hij gaat verliezen. Wat een eikel!

Constant glij ik weg, vooral op de kasseistroken. Ik wil in het gras naast de kasseien rijden, maar sommige toeschouwers gaan niet opzij. Ze willen dat ik op de stenen fiets, net als de anderen. Ze noemen me lui. Ik schreeuw dat ik een lekke band heb. Anderen roepen 'Courage, courage!' (Frans voor heldenmoed, red.), maar ik denk: rot lekker op met je courage! Ik fiets hier alleen met een lekke band, omdat die kerel achter mij me geen reservewiel wil geven.

Dat doet hij uiteindelijk op Carrefour de l'Arbre, daar geeft hij wel een nieuw wiel. Hij zegt dat hij al de hele tijd riep dat ik 'm kon krijgen, maar dat ik mijn Frans niet beheers. Onzin, ik begrijp die taal prima. Nee, hij moet wel, onder druk van de renners die achterin de bezemwagen zitten. Zij willen snel naar Roubaix, naar de douche. Ik ook, maar wel op de fiets.

Ik fiets weer, de laatste kasseitjes. Eén dronken toeschouwer geeft me nog een harde klap op mijn kont en dan, bij het dorpje Hem, denk ik de verschrikkingen achter de rug te hebben. Op naar de wielerbaan in Roubaix, waar het hek wel dicht zal zijn. Althans, dat heb ik altijd begrepen: bij het verstrijken van de tijdslimiet gaat het hek dicht.

Maar eerst wacht me nog een verrassing. Een meisje op een paard, op het parkoers. Dat beest schrikt van de motor die voor me rijdt en slaat op hol. Ik kan 'm ternauwernood ontwijken.

In Roubaix blijkt de wielerbaan toch nog open. Ik voel me bijna beschaamd om de baan op te rijden. Hier ging het me niet om, om nog toegejuicht te worden. De huldiging van Cancellara is al achter de rug, ik krijg applaus en een journalist vraagt me of ik het erg vind dat ik buiten de tijd binnen ben. Nee dus, ik wilde alleen maar verder fietsen. Voor mezelf, omdat ik weer in conditie wil komen. En niet in de bezemwagen wil eindigen. Daar heb ik bij Gent-Wevelgem, toen ik ziek werd, al de hele middag in gezeten. Dat was meer dan genoeg.'

Volledig scherm
© anp
Volledig scherm
© anp
Volledig scherm
© anp
Volledig scherm
© anp
Volledig scherm
© anp