Volledig scherm
© AD

Wielrenners zijn experts in zichzelf voor de gek houden

Volledig scherm
© AD
Quote

Winnen is niets anders dan de beloning voor eindeloos verliezen. Net als in de gewonemen­sen­we­reld. Je valt, je staat weer op, en je probeert het opnieuw. Net zolang tot het lukt.

Thijs Zonneveld

Het was hopeloos. Er was nog honderdachtennegentig kilometer te fietsen, het was zo warm dat het asfalt onder zijn wielen vandaan smolt en zijn rug voelde alsof er een kudde gnoes overheen was gestampt. Toch besloot Wilco Kelderman gisteren vlak na de start van de etappe om weg te springen. Want hoe hopeloos de situatie ook was: je wist maar nooit.

Je kunt wielrenners als eieren tegen de muur kapot smijten, je kunt ze plat slaan als muggen tegen de muur, je kunt hagelstenen zo groot als dobbelstenen over ze uitstorten, je kunt ze over zoveel bergen sturen dat ze janken van ellende, je kunt ze kraken en buigen en laten barsten - maar je kunt ze nooit hun hoop afnemen.

Sluit een renner met zijn handen aan elkaar gebonden op in een kelder en je weet zeker dat hij een tunnel probeert te graven met zijn tanden - als het moet naar China. Wielrenners zijn experts in het zichzelf voor de gek houden. Ze geloven in illusies. Ze maken zichzelf wijs dat ze kunnen winnen terwijl ze dat nog nooit gedaan hebben, dat ze zichzelf met drie gebroken ribben en een klaplong over de Pyreneeën kunnen hijsen of dat ze tweehonderd kilometer voor een jagend peloton uit kunnen fietsen. Of ze nu ziek, zwak, misselijk, slecht in vorm, gewoon slecht, geknakt, gekneusd of gebroken zijn: ze geloven altijd in een wonder. Anders waren ze überhaupt geen renner geworden.

Geloven in een wonder is de essentie van topsport, en zeker van het wielrennen. Je moet kunnen dromen, anders win je nooit iets. Als je denkt dat iets niet kan, dan kan het zeker niet. Het mooie (en oneerlijke) van wielrennen is dat je niet de sterkste hoeft te zijn om te winnen. Als je niet kunt klimmen, dan probeer je het in de afdaling. Als je het acceleratievermogen van een stacaravan hebt, dan probeer je de sprint te ontlopen. En als je niet goed genoeg bent om het in de finale tegen de grote mannen op te nemen, dan probeer je alvast een beetje voorsprong te nemen.

Wielrennen is met je kop tegen de muur lopen en geloven dat je er de volgende keer dwars doorheen loopt. Keer op keer op keer op keer op keer. Wat Wilco Kelderman gisteren deed was wielrennen zoals wielrennen bedoeld is. Zijn klassement is naar de filistijnen, zijn rug is naar de vaantjes en hij komt bergop geen poot vooruit - en dus probeerde hij het maar van ver in een etappe zonder hoge bergen. Bijna, bijna, zo allemachtig bijna had hij gewonnen, maar de etappe was 250 meter te lang. Vlak voor de finish denderde Greg Van Avermaet - Wereldkampioen Net Niet Winnen - over hem heen. Van Avermaet won. Niet omdat hij de snelste of de sterkste is, maar omdat hij net zo lang tegen de muur aan liep totdat de muur het begaf.

Winnen is niets anders dan de beloning voor eindeloos verliezen. Net als in de gewonemensenwereld. Je valt, je staat weer op, en je probeert het opnieuw. Net zolang tot het lukt.

Want er is altijd hoop. Zelfs als alle hoop vervlogen is.